Tilburg: Een stad van oorlog #3. Een Motie van Trouw: Revolutionaire angsten in een Katholieke gemeente tussen 1918 en 1919

3
11-07-2019
  • Vonk de Both
  • Belgische vluchtelingen
  • geinterneerden
  • gemeentebestuur
  • Archief 871
  • Tilburg
  • geschiedenis
  • onderzoek
  • Eerste Wereldoorlog
  • WOI
  • Belgie

Archief 871, Gemeentebestuur Tilburg 1908-1937Oorlogsmoeheid had in 1917 ook Tilburg getroffen. Na drie jaar lang de gevolgen van een buitenlandse oorlog te hebben moeten ondervinden, was de bevolking van Tilburg, nog altijd gebukt gaand onder een woningnood en onderworpen aan de excessieve arbeidsvereisten van een profiterende textielindustrie, het langzaamaan beu. Buiten de gebruikelijke tekorten werd een gebrek aan voedingswaren nu ook toenemend voelbaar; waarbij de exorbitante inzet die de industrie vereiste om diens succesvolle productie te handhaven een heikel punt voor de leefomstandigheden van de Tilburgse arbeiders werd.

Het was een onvrede die men begon te uiten; op de fabrikanten, op de gemeente, op de machtshebbers- op het établissement. 1917, het derde oorlogsjaar, deed de eerste vonken van een revolutionair sentiment ontspringen in Europa: ook Tilburg, een bolwerk van Paapsheid in het vrome Noord-Brabant, koesterde langzaamaan een afgunst jegens de vermeende status quo. Onder meer gericht tegen het jodendom en de vrijmetselarij in de Europese machtsverhoudingen − evenals de waargenomen incompetentie van de gemeente Tilburg − begon de Tilburgse journalistiek een platform te bieden aan verschillende hekelende stemmen gedurende 1916 en 1917. “De stad ga zo ’t moet over tot ‘t bouwen van noodwoningen, gelijk bv. in Amsterdam geschiedt. Geloof maar dat menigeen jaloers is op die “Deense” huisjes van de geïnterneerden” schreef J. Bechtold op 9 juli 1917 in de Nieuwe Tilburgse Courant, waarschijnlijk in verwijzing naar de acht Belgische noodwoningen van het “Paviljoen Besterd” aan de Nijverstraat. De gemeente had onmiskenbaar gefaald in het kordaat beantwoorden van een destructieve noodsituatie; welkgeen door de bevolking klaarblijkelijk werd beschouwd als een klungelige onbekwaamheid aan de kant van het gezag. Daarbij verloren langzamerhand de fabrieken, welke hun grootschalige productie moesten dwingen te co-ageren met een gammele voorziening van arbeid (door middel van buitensporige werktijden), het op de tijdsomstandigheden gebaseerde begrip van hun werknemers.
Matthijs Sweekhorst. Foto: William van der Voort
Enkele dagen voor de publicatie van het artikel van Bechtold, tegen het einde van juni 1917, hadden “een honderdtal ongeorganiseerde draadmakers op verschillende fabrieken zonder opzegging het werk neergelegd.”[3] Ten grondslag aan deze abrupte interruptie lag het wegebbende bevattingsvermogen van een uitgeputte arbeidersbevolking voor de naarstigheid van het industriële winstbejag. De staking van 1917 zou maanden, tot oktober 1917, blijven duren- waarin de fabrieken hun hardnekkige dreigingen continue zagen verzanden op de onverzettelijke volharding van een reeds getergde groep mensen. In Tilburg, net als in vele andere Europese steden, werd een proletarische wrok, een aversie van ‘simpel volk’ jegens diens plutocratische oversten, langzaamaan een onrustbarende aanwezigheid binnen de publieke sfeer. De gemeente, waarschijnlijk vrezend voor een langdurig en economisch destructief conflict, lijkt te hebben ingegrepen: zoals blijkt uit meerdere documenten betreffende de woelingen van 1917, werd tussen beide partijen uiteindelijk bemiddeld door burgemeester Vonk de Both, welke de situatie met zijn gebruikelijke gekonkel naar de hand van de gemeente gezet lijkt te hebben. De arbeiders zouden, in het voordeel van zowel industrie als gemeente, hun verzuchtingen over werktijden opschorten tot het einde van de Europeesche Crisis, waarna deze suspensie zou worden vervangen met een algehele schikking betreffende de eisen van de arbeidersverenigingen.[4] Hiermee werd niet alleen gehoor gegeven aan het sentiment van het gepeupel, maar werd ook burgerlijke gehoorzaamheid tot tevredenheid van het gemeentebestel garant gesteld. Zodoende werd, in fel contrast met de toenemende rode inkleuring van andere Europese arbeidersklassen, het overtuigd katholieke Tilburgse proletariaat − ondanks haar obstinate opstandigheid − beteugeld door de frugale gematigdheid van Tilburgse ambtelijke intriges, en teruggeleid tot diens godsvruchtige vlijt en volgzaamheid voor de Tilburgse industrie.

Toch was de boodschap duidelijk voor de Gemeente Tilburg: voor haar inwoners was de maat vol. Het was de Gemeente Tilburg vanaf het begin van de oorlog uitstekend gelukt om te bemiddelen tussen nationale doctrine, de onbeteugelde ondernemingslust van een beproefde industrie, en de sociale belangen van een gelovige arbeidersklasse- al zij het dat de feilbaarheid van de excessen daarvan, waaronder de Ramp van Raupp en ‘Paviljoen Besterd’, Tilburg tot een labiele cocktail van sociaal onbegrip, industriële ontevredenheid, en burgerlijke frustratie had gemaakt. De publieke sfeer van Tilburg was langzamerhand tot verbitterde naargeestigheid vervallen, waarbij de arbeidersklasse de symptomen van een profetische Marxistische omwenteling begon te vertonen; de gemeente moest dus, tegen de standvastigheid van haar zuinigheidsdoctrine in, maatregelen treffen. Tussen 1917 en 1919 zou de Gemeente Tilburg daarop − alhoewel niet van harte − geleidelijk aan toegeven aan de actieve constructie van binnen Tilburg verspreide noodwoningen.

Al zij het niet tegen het vermeende juk van de bourgeoisie, bleef het misnoegde sentiment van de Tilburgse bevolking verder radicaliseren. De Tilburgse publieke opinie richtte zich, in al haar verbitterdheid, tegen de gewaande ondermijningen van het joods-bolsjewistische complot; het rond 1917 ontstane idee dat communistische omwentelingen het product van een joodse samenzwering tegen de Westerse (christelijke) samenleving waren. De katholieke Tilburgers, pieus en trouw aan het gezag, koesterden hun wrok niet voor kapitalistische onderdrukking, maar voor de destructieve ambities van heidense opstandelingen. Waar de frustratie van een overbelaste industriële bevolking dus niet in het rood vormgegeven kon worden, lijkt het, in overeenstemming met de katholieke leer, gericht te zijn geweest tegen de veronderstelde vernielzucht van Europa’s labiele elementen. Zodoende manifesteerden zich, vanaf 1918, steeds meer antisemitische, antirevolutionaire en anti-maçonnistische uitdrukkingen binnen de Tilburgse media, waarmee de climax van de Nederlandse revolutionaire spanningen, de ‘vergissing van Troelstra’ in november 1918, voor Tilburgse ogen een gedesillusioneerde miscalculatie moet hebben geschenen.

Archief 871, Gemeentebestuur Tilburg 1908-1937Gedurende de socialistische woelingen van november 1918 werd een regeringsproclamatie gepubliceerd welke de voornaamste ontstemmingen, voedings- en gebruikswarentekorten, probeerde te sussen met beloftes van verhoogde rantsoenen. “Volk van Nederland, gij hebt Uwe positie zelf in handen!” luidde de boodschap, terwijl de Nederlandse autoriteiten hun uitstekende best deden om met een discreet populisme de publieke moraal ten behoeve van de Koninklijke identiteit te bevorderen. Buitengewoon behendig inspelend op de kerkelijke verstandhoudingen met het internationaal Marxisme, nodigde de Nederlandse regering de kerkelijke genootschappen vervolgens uit tot het houden van een “bidstond” op 28 november 1918; op welke dag door de Tilburgse geestelijkheid een katholieke “Motie van Trouw” tot koningin Wilhelmina werd vervaardigd. Mede door dergelijke bewonderenswaardige coöperaties tussen Kerk en Staat werd de Tilburgse bevolking een godvrezende antipathie voor het socialisme ingeboezemd; een expressieve burgerlijke gehoorzaamheid welke de Tilburgers inperkte tot een verlamde staat van volgzaamheid, waarbij het oplossen van burgerlijke ontevredenheid kon worden opgeschort ten dienste van ambtelijke en industriële interesses.

Met de wapenstilstand van 11 november 1918 was de oorlog de facto ten einde, wat voor de gemeente het begin van een langdurig proces van sociale wederopbouw betekende. De belofte van de Moderne wereld − de onvermijdelijkheid van technologische, wetenschappelijke en maatschappelijke vooruitgang naar een universeel ideaal − leek zichzelf te hebben gebroken; vooruitgang kwam gepaard met revoluties en kanongebulder, en had de beschaafde wereld versplinterd. Hoewel de Tilburgse bevolking behoed leek voor de directe symptomen van die gebroken wereld, zoals ongebreideld Marxisme, had de oorlog ook daar − met een ontbindende woningbouwvoorziening en uitbuitende arbeidsomstandigheden − het publieke vertrouwen in de sociale gedrevenheid van de autoriteiten onmiskenbaar aangetast. Met een bestendiging van wantrouwen tegen machtsverhoudingen, internationaal Zionisme en socialisme, betrad Tilburg, zoals zo veel andere Europese steden, het Interbellum met argwaan: een wereld van achterdocht, waarmee men zich, tot de volgende in 1940, moest zien te verzoenen.

-Matthijs Sweekhorst

Bronnen
Archief 871, Gemeentebestuur Tilburg 1908-1937, inventarisnummers 832, 852, d71, d11, 820 
Nieuwe Tilburgse Courant, 17 juni 1916, 27 juni 1916, 9 juli 1917, 3 oktober 1917, 26 februari 1918, 1 mei 1918, 27 mei 1918, 21 februari 1919, 1 mei 1922, 13 September 1933

"Een Motie van Trouw" is het derde en laatste deel van de blogserie 'Tilburg: Een Stad van Oorlog. Een drieluik van angsten, zorgen en ambities van een tussen internationaal conflict bevangen industriestad van 1914 tot 1919'.
Lees hier achtergronden van de blogserie in de introductie
#1 De Ramp van Raupp: Internationale wolhandel en de Tilburgse gemeente
#2 “Paviljoen Besterd”: Belgische geïnterneerden als oplossing voor een schrijnende woningnood in November 1916

Foto Matthijs: William van der Voort

 

Reageren

Contact en informatie
sluit Hulp nodig?

We helpen je graag van maandag t/m vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur via chat.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag wel stellen via e-mail.
sluit Online op dit moment
-
Stel een vraag