Tilburg: Een stad van oorlog #1. De Ramp van Raupp: Internationale wolhandel en de Tilburgse gemeente in oktober 1914

7
26-06-2019
  • gemeentebestuur
  • geschiedenis
  • onderzoek
  • Tilburg
  • vluchteling
  • WO1
  • 871
  • industrie
  • Textiel
  • Raupp
  • Ramp
  • Eerste Wereldoorlog

Archief 131, Spinnerij Pieter van Dooren, invnr. 1051Op 2 oktober 1914 bereikten de vele zorgen van de Tilburgse burgemeester Godefridus Raupp een akelige climax: zijn Tilburg, een stad wier levenskracht grotendeels werd bepaald door de bedrijvigheid van haar textielindustrie, leek plotseling van haar belangrijkste bestaansmiddel ontdaan te worden. Langs de Tilburgse fabriekshallen doolde sedert enige dagen het gerucht dat het Verenigd Koninkrijk de wolexport zou gaan verbieden; hoogstwaarschijnlijk als antwoord op de vele pogingen die reeds door Duitse fabrikanten ondernomen waren om via “Hollandsche handelaren” Engelse wol te importeren. Zodra dit gerucht de burgemeestersoren bereikte, schreef Raupp direct aan de Nederlandse minister van Landbouw, Nijverheid en Handel: “Tot heden zijn de meeste wollenstoffenfabrieken nog in bedrijf. Wanneer echter geen wol meer zou worden ingevoerd van uit Engeland, dan zullen spoedig de fabrieken stopgezet moeten worden, hetgeen voor deze gemeente, met hare duizenden textielarbeiders, een ramp zou zijn.”

Het begin van de Eerste Wereldoorlog, de Europeesche Crisis, veroorzaakte paniek en perplexiteit binnen de Gemeente Tilburg. Binnen een land dat scrupuleus en nauwgezet het principe handhaafde dat een bewerkstelliging van een normale gang van zaken het meest betrouwbare, zij het niet het meest gangbare algemene beleidsprincipe moest zijn, ondervond de Tilburgse gemeente tot haar geleidelijke verbouwereerdheid dat enige schijn van ‘normaliteit’ een onhoudbare klucht was. De verdwaasde sluimer die de nachtmerrie van de Eerste Wereldoorlog zou worden, was gelijktijdig de schok die Europa zo gewelddadig onthief uit haar moderniteitsdroom: ‘normaliteit’ was daarmee in augustus 1914 tot eerste oorlogsslachtoffer verworden, een verlies dat zelfs de neutrale Noord-Brabantse gemeentes zouden moeten verduren. Tilburg werd, direct bij het aanvangen van de oorlog, ingericht als infrastructurele kern van het Nederlandse mobilisatiebestel aan de zuidgrens. De 10.000 militairen die daarbij ingekwartierd moesten worden arriveerden in een stad die pas onlangs had durven erkennen dat haar “woningtekort” een heuse “woningnood”  was; de duizenden vluchtelingen die daarop volgden, kwamen daarbij aan in een stad die dus volledig uitpuilde met vreemde gezichten- samengedromd in elk beschikbaar lokaaltje, elk gastvrij huishouden en elke leegstaande fabriekshal. Overbelast met de onmogelijke taak om al haar vreemdelingen, laat staan de eigen bevolking te huisvesten, stelde het dreigende grondstoftekort een dramatische opeenhoping van algemene werkloosheid, sociale kreupelheid, en financiële onbemiddeldheid in het vooruitzicht van de Gemeente Tilburg: de ware ‘ramp’ van Raupp. Op zeven oktober, vijf dagen nadat de burgemeester zijn noodkreet aan het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel richtte, werd bevestigd dat een Engels verbod op de export van wol was ingesteld. De Gemeente Tilburg zag alle angsten waaruit diens rampscenario bestond voltrokken worden

Op de ramp zelf na. De Ramp van Raupp was het geesteskind van een Matthijs Sweekhorst. Foto William van der Voortgedesoriënteerde gemeente die zich gedurende de herfstmaanden van 1914 vastklampte aan een nationaal zuinigheids-, voorzichtigheids-, normaliteitsideaal dat binnen de nieuwe tijdsomstandigheden onhoudbaar zou blijken. Daarentegen had de gemeente klaarblijkelijk niet durven voorzien dat de Tilburgse industrie zich met uitzonderlijke behendigheid wist te manoeuvreren tussen alle economische tegenslagen van dat jaar.  Deze misleide rigorositeit leidde daarmee tot tweesplitsing van verstandhouding tussen industrie en gemeente, nu het exportverbod, tegen de doctrinaire denkwijzen van de gemeente in, door de Tilburgse industriëlen zonder moeite werd opgevangen met ludieke uitwijkingen op het gebied van grondstoftoevoer. Waar de eerste helft van 1914 gekenmerkt werd door een steevaste bevoorrading van prachtige buitenlandse stoffen als ‘mittelhell Alpacca’ en ‘East India yellow wool’, werden vanaf augustus 1914 materialen als ‘paardenhaar’, ‘koeienhaar’, en zelfs het ambigue “haar” de norm. Enkele maanden later spreidde dat repertoire verder uit naar balen oude kousen en tapijten, evenals enorme orders aan wolafval. Aangedreven met textielafval en aangelengde verfstoffen kon, tegen de verwachtingen van de autoriteiten in, een anderzijds ten dode opgeschreven industrie dus nukkig standhouden.

Archief 871, gemeentebestuur 1908-1937, doosnr. 831De fabrieken wisten grondstoftekorten te bedwingen door te zoeken naar toegankelijke, makkelijk verkrijgbare en goedkope alternatieven, welke uitwegen stilletjes omarmt lijken te zijn geweest binnen de gemeente. Desalniettemin werden soortgelijke handelswijzen op het gebied van arbeidsvoorziening onverzettelijk bestreden: de industriële ambitie om diens fabrieken − welke in navolging van de mobilisatie kampten met gebreken aan arbeidskrachten − te vullen met uitzonderlijk goedkope Belgische vluchtelingen, werden door burgemeester Raupp aangemerkt als zeer gevaarlijk voor de welstand van de Tilburgse arbeidersklasse, welke onmogelijk zou kunnen concurreren met de prijzen waar de vluchtelingen voor bereid waren te werken. De Belgische vluchtelingen vormden een afwijking in het Tilburgse systeem, en als zodanig dienden zij, ten behoeve van de gezondheid van dat systeem, verwijderd te worden. Daartegenover behoorden de fabrieken, als fundamenteel onderdeel van datzelfde systeem, juist beschermd te worden voor dergelijke sancties: de Gemeente Tilburg stelde de afwijking van de norm, de Belgen, gelijk aan dier problematiek, en zodoende werden zij ook als verantwoordelijken daarvoor behandeld. In overeenstemming met de normaliteitsdoctrine waaruit het concept van zijn Ramp was vormgegeven, besloot Raupp het daarop de vluchtelingen te verbieden om werkzaam te zijn in de Tilburgse fabrieken. Ondanks het beproefde industriële uithoudingsvermogen bleef de gemeente het dus als dier taak beschouwen om de lokale economie persoonlijk in bescherming te nemen- desnoods tegen zichzelf.

Pas gedurende de eerste maanden van 1915 groeide de tweesprong tussen industrie en gemeente langzaamaan dicht. Het was de Tilburgse industrieën ondanks nijpende grondstoftekorten, hinderlijke gebreken aan werkkrachten, en terughoudende gemeentelijke beleidsvoering uitstekend gelukt om te gedijen tussen de vele sancties en bureaucratische versperringen waarmee de lokale en internationale markten bezaaid waren. Met die welvarendheid nam het industriële belang bij een adequate diplomatieke gemeentelijke vertegenwoordiging ook toe − het succes van de Tilburgse industrie werkte namelijk provocerend; de Gemeente Tilburg moest meervoudig de reputatie en betrouwbaarheid van haar industrieën verdedigen tegenover Engelse en Nederlandse warenautoriteiten − evenals, in tegenstelling tot economische dogmatiek, het gemeentelijke belang bij dier erkenning voor de effectiviteit van een flexibel industrieel denken. Gedurende 1915 zou, hoewel onuitgesproken, voor beide actoren steevast duidelijk worden dat de Ramp van Raupp een gemeentelijke farce van averechtse voorzichtigheid was, en zou, naarmate de verschillende gemeentelijke en demografische omwentelingen vorderden, en terwijl de industriëlen bleven kampen met arbeidstekorten, uit een versterkend wederzijds begrip tussen beide partijen een bereidheid tot een nieuw tewerkstellingsproject ontstaan met betrekking tot Belgische geïnterneerden uit Zeist en Harderwijk.

- Matthijs Sweekhorst

Bronnen
Regionaal Archief Tilburg
- Archief 871, Gemeentebestuur Tilburg 1908-1937, doosnrs. 831, 834, 837
- Archief 131, Spinnerij Pieter van Dooren, invnr. 1051
- Archief 130, Ververij Broekhoven, invnr. 4

De Ramp van Raupp
is het eerste deel van de blogserie 'Tilburg: Een Stad van Oorlog. Een drieluik van angsten, zorgen en ambities van een tussen internationaal conflict bevangen industriestad van 1914 tot 1919'.
Lees hier achtergronden van de blogserie in de introductie.

Foto Matthijs: William van der Voort

1 comment

Reageren
  1. Karel | Jun 28, 2019
    Het Tijdschrift "Tilburg" heeft vijf jaar geleden een speciale editie gewijd aan Tilburg in de 1e Wereldoorlog. Daar werd o.m. vermeld hoe het inwonertal explodeerde door de aanwezigheid van Belgische vluchtelingen en gemobiliseerde militairen. Afgelopen week zag ik een documentaire op de t.v. over Nederland in de 1e Wereldoorlog waarin geen woord werd gerept over deze noodsituatie. Nee, de Belgische vluchtelingen werden zo snel mogelijk doorgestuurd naar het midden van het land en er kwamen alleen gemobiliseerde militairen in voor die ook daar waren gelegerd. Hoe zit het nou echt? Moeten jullie niet eens de koppen bij elkaar steken met die omroepmensen om een goed beeld hiervan te presenteren?    

    Reageren

    Contact en informatie
    sluit Hulp nodig?

    We helpen je graag van maandag t/m vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur via chat.

    Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag wel stellen via e-mail.
    sluit Online op dit moment
    -
    Stel een vraag