Tilburg: Een stad van oorlog #2. “Paviljoen Besterd”: Belgische geïnterneerden als oplossing voor een schrijnende woningnood in November 1916

4
04-07-2019
  • geinterneerden
  • Belgische vluchtelingen
  • Belgie
  • WOI
  • Eerste Wereldoorlog
  • onderzoek
  • geschiedenis
  • Tilburg
  • gemeentebestuur

Archief 871, gemeentebestuur Tilburg, 1908-1937Aan het begin van 1916 had de Tilburgse industrie haar plaats op het internationale toneel stevig geconsolideerd; men wist uitstekend om te gaan met grondstoftekorten, op het zwendelachtige af zelfs, hoewel arbeidstekorten een aanhoudend probleem bleven. Na het aftreden van Godefridus Raupp als burgemeester op 21 juli 1915, was het de industriëlen − vanuit het initiatief van de firma’s Kerstens en Kessels − langzaamaan gelukt om een nieuw tewerkstellingsproject vorm te geven. Reeds bij het aantreden van de nieuwe burgemeester, Frans Vonk de Both, halverwege december dat jaar, werd de laatste hand gelegd aan een extern interneringsdepot aan de Nijverstraat, vanuit waar de Tilburgse industrie diens benodigde werkkrachten kon betrekken.

Voor burgemeester Vonk de Both, nog maar net in office, bracht de internering direct nieuwe uitdagingen mee. Hoewel van gemeentelijke striktheid als bij de Ramp van Raupp geen sprake meer was, bestond nog altijd een zuinigheids-, voorzichtigheids-, en houdbaarheidsideaal binnen de ambtelijke beleidsvorming waar deze tewerkstelling van ‘vreemde’ werkkrachten aan diende te conformeren. Met dergelijke principes in het achterhoofd moest men kunnen verzekeren dat de internering geen schade zou berokkenen − zoals Raupp had gevreesd − aan de Tilburgse beroepsbevolking, en, omdat in Tilburg nog altijd ernstige woningnood heerste, dat de internering niet de woonvoorziening van Tilburg verder zou belasten.

Toch leek het dat al snel te worden. Van de 160 Belgische geïnterneerden die zich Archief 871, gemeentebestuur Tilburg 1908-1937halverwege januari 1916 reeds in Tilburg bevonden, waren inmiddels vijftien bijbehorende gezinnen in Tilburg gearriveerd, welke allemaal op zoek waren naar de nieuwe woonbestemming van hun kostwinner. Vonk de Both, burgemeester van een stad die zich immers nog te midden van een uitzichtloze woningcrisis bevond, besefte dat dit onverwachte bijproduct zo snel mogelijk geneutraliseerd moest worden. Als enkele weken later door het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd aangeboden om houten woonvoorzieningen te bouwen voor dergelijke gezinnen, besefte Vonk de Both daarop dat het economisch gedreven interneringsproject van de Tilburgse industriëlen nu wellicht ook een uitkomst zou kunnen bieden voor zijn schrijnende woningnood: in tegenstelling tot een verdere belasting, leek de internering hiermee juist een ontlasting te kunnen worden. Als een nieuw prominent agendapunt op het programma van de kersverse burgemeester, zou Vonk de Both het Tilburgse interneringsdepot, aanvankelijk een industriële aangelegenheid, in essentie proberen toe te passen als een gerechtvaardigd excuus voor een donatie van woningbouw aan zijn gemeente.

Dat dit plan vervolgens volledig faalde, zou de stedelijke ontwikkeling van Tilburg voor de komende (oorlogs)jaren blijven tekenen. De ambitie van Vonk de Both, om de woningnood in zijn stad te stelpen met aan geïnterneerden gedoneerde woningen, liep langzaamaan tegen de klippen van verstrengelde politieke intriges:  het Ministerie trok diens aanbod op vrij oncharmante wijze terug, waarop het Vonk de Both naar het Belgische Comité de Secours in Den Haag verwees, wier reacties maar moeizaam arriveerden. Waar de burgemeester aanvankelijk had aangegeven bij het Comité, met de woningnood in het vizier natuurlijk, dat hij 600 woning tekort had, boden de Belgen aan om maar liefst “een kleine tiental huizen” te bouwen, enkel “op voorwaarde dat ons een terrein met waterleiding wordt verstrekt hetzij door de gemeente, hetzij door de belanghebbende fabrikanten.” Ten slotte stelde het Comité de volgende voorwaarden: “indien de fabrieken nog meer dusdanige huizen wenschen op te richten, ons met het bouwen dezer woningen te gelasten, op kosten der fabrikanten. Later, na den oorlog, zullen wij deze huizen tegen een bepaalde som overnemen, want in België zullen er geen huizen te over zijn. Daar het noodig is deze huisvesting onder controol te stellen zijn wij van plan in een der huizen een cooperatieven winkel in te richten ten dienste van de geïnterneerde soldaten. De beheerder van deze winkel – een sergeant of adjunant – zou tevens kontrool over de huizen uitoefenen.”

Matthijs Sweekhorst. Foto: William van der VoortDe ambities van Vonk de Both waren effectief beteugeld door een systematische opeenvolging van tegenslagen, en zijn project verwerd een kleinschalige doch prijzige symptoombestrijding van een fenomeen dat hij had willen uitbaten tot een algehele remedie voor een rampzalige woningnood. De bouw zou wellicht doorgaan − de in totaal acht huisjes werden halverwege december 1918 voltooid − maar, na dit mislukte ondernemen, lijkt de gemeentelijke belangstelling voor het interneringskamp grotendeels te zijn verdwenen. Van 1917 bestaat, in vergelijking met de interneringsdocumentatie van voorgaande jaren, een relatief bescheiden overlevering; van 1918 is überhaupt (nog) geen concreet interneringsbestand gevonden. Het kamp aan de Nijverstraat zou een industriële aangelegenheid blijven tot aan het einde van de oorlog, waarna, te midden van de demobilisatie, op 2 december 1918 slechts nog verzocht werd aan de fabrikanten om de Belgische interneringswerkkrachten te ontslaan om banen te creëren voor de terugkerende Nederlandse burgersoldaten.

 Aanvankelijk als een reactionaire industriële onderneming tussen juli en december 1915 binnen een gemeentelijke machtsholte ten gevolge van het aftreden van Raupp, forceerden de industriëlen met het versoepeld tewerkstellingsprogramma een beleids-ideologische herziening binnen de Gemeente Tilburg. Zorgvuldig aangepast aan de zuinigheids- en gematigdheidsprincipes van de Gemeente Tilburg, was het subtielere interneringskamp een uitstekende oplossing voor de arbeidstekorten die de Tilburgse productiecapaciteit zou blijven hinderen tot na de Ramp van Raupp. Onder de ambities van het regime van burgemeester Vonk de Both, vanaf december 1915, zou daarbij duidelijk worden dat het interneringskamp een veel uitgebreider sociaaleconomisch potentieel bij zich droeg dan aanvankelijk werd voorzien. Als zodanig, zou de gemeente op het interneringsproject haar eigen sociale ambities durven projecteren, een plan waarvan het falen blijvende consequenties zou hebben naarmate sociale sfeer in Tilburg gedurende 1917 en 1918 grimmiger werd. Het project van Vonk de Both was een poging om vrijblijvend te compenseren voor een aanhoudende gemeentelijk incompetentie om voor voldoende woonvoorziening te zorgen gedurende de oorlog. Zodoende zou, in navolging van de mislukking van dat project, de gemeente op eigen houtje alsnog vele noodwoningen moeten laten bouwen vanaf 1918.

- Matthijs Sweekhorst

Bronnen
Archief 871, Gemeentebestuur Tilburg 1908-1937, invnr. m54, m88, 836
Archief 76, Dienst Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Tilburg, 1882-1984

"Paviljoen Besterd" is het tweede deel van de blogserie 'Tilburg: Een Stad van Oorlog. Een drieluik van angsten, zorgen en ambities van een tussen internationaal conflict bevangen industriestad van 1914 tot 1919'.
Lees hier achtergronden van de blogserie in de introductie en het eerste deel van de serie, "De Ramp van Raupp"

Foto Matthijs: William van der Voort

Reageren

Contact en informatie
sluit Hulp nodig?

We helpen je graag van maandag t/m vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur via chat.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag wel stellen via e-mail.
sluit Online op dit moment
-
Stel een vraag