Van Oostenrijk naar Oisterwijk: de bijzondere omzwervingen en lotgevallen van een oorkonde

5
25-04-2017
  • zegels
  • vidimus
  • charter
  • oorkonde
  • 's-Hertogenbosch
  • Oisterwijk

1433_0031 Tussen de oorkonden die in de   chartercollectie liggen bij Regionaal Archief Tilburg, berusten veel stukken die een roerige geschiedenis hebben gekend.
Het kostte veel moeite om een oorkonde te vervaardigen. Pas na een lang proces van preparatie was de dierenhuid geschikt als schrijfmateriaal. Hierna diende een professionele en geoefende schrijver de over te brengen boodschap onder de juiste vorm op het vel te noteren. Tenslotte moest het document nog gewaarmerkt worden, hetzij met zegels, hetzij met een signet.

Nadat hun oorspronkelijke doel bereikt was, hadden oorkonden echter geen waarde meer. Bewaren was een optie, maar dat gebeurde eigenlijk alleen door grotere instellingen die de beschikking over een degelijke archiefbewaarplaats hadden. Ontelbare documenten zullen aldus na gebruik hun einde hebben gevonden. Toch is er meer bewaard dan men zo op het eerste gezicht zou vermoeden. Perkament is sterk en duurzaam materiaal, en in vroegere tijden was men zeer vernuftig in het hergebruiken van dergelijke materialen. Talloze oorkonden en rekeningen vonden in versneden vorm een nieuwe bestemming als zegelstaarten voor nieuwe stukken, werden schoongekrabt en opnieuw beschreven (palimpsesten) of als kaft voor een codex gebruikt. Interessante vondsten zijn onder meer bladen van een Bijbel, van de Decretalen van Gregorius IX omringd met commentaar, en een prekenbundel, allen uit de veertiende eeuw. Een obscure vondst betrof een blad van de Ars punctorum, een traktaat over het voorspellen van de toekomst middels zand (geomantie). Voor wie zich erover verwondert dat het laatste soort teksten hier werden gelezen, komt het wellicht als een nog grotere verrassing dat dit blad gebruikt is voor een handschrift dat in de omgeving van de Petruskerk in Oisterwijk vervaardigd is. Had een lokale priester wat minder orthodoxe interesses? Of had hij juist kennis nodig van dergelijke onderwerpen om er tegen te kunnen prediken?

Dit blog is echter gewijd aan een ander archiefstuk dat op deze wijze bewaard is gebleven. Of nou, andere archiefstukken eigenlijk, want uit het document, dat van indrukwekkende omvang moet zijn geweest, zijn maar liefst drie banden vervaardigd. In deze hoedanigheid zijn de fragmenten enige jaren terug onder de nummers 31, 32 en 38 opgenomen in de Chartercollectie Oisterwijk, zonder dat het onderlinge verband duidelijk werd. Dit is onlangs tijdens de transcriptie naar voren gekomen.

De stukken 31 en 38 kunnen achter elkaar worden gelegd; hier zijn slechts enkele 1433_0038letters verloren gegaan op de snijlijn. Stuk 32 past vervolgens onder 31. Door beschadiging van de randen is niet geheel duidelijk of de tekst aan één stuk door loopt, of dat er (hooguit) een paar regels verloren zijn gegaan. In ieder geval missen er delen van de linker en rechterzijde van stuk 32. Het eind van de oorkondetekst is nog net te lezen, terwijl de pliek verwijderd is. In totaal is dus ongeveer zeventig procent van het document bewaard gebleven. De twee grootste fragmenten hebben als band gediend voor een Oisterwijks schepenprotocol, respectievelijk voor 1536 en 1537.

Niet alleen vanwege de overlevering is deze oorkonde een vermelding waard; ook de inhoud is zeer interessant. In totaal bevat de oorkonde maar liefst vier oorkondenteksten van even zoveel hoogwaardigheidsbekleders. De hoofdtekst is een uitvaardiging door Martinus Steenberch, decaan van de Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch, aan het kapittel van de Domkerk in Utrecht en van de Maartenskerk in Zaltbommel. Deze uitvaardiging heeft in het bijzijn van getuigen plaatsgehad in de hal van het dekenhuis van de Sint-Jan op 28 november 1457. De schrijver, zo blijkt uit een handtekening onder de tekst en uit handschriftvergelijking, is heer Jan Amelrijcx, priester en kapittelnotaris te ’s-Hertogenbosch.

Aan zijn medegeestelijken in het Sticht stuurt Steenberch een vidimus van een oorkonde uit Oostenrijk, uitgevaardigd door abt Gotfridus van het Cisterciënzerklooster nabij Wiener Neustadt, Stift Neukloster. Dit zal Gottfried von Ottenstätt zijn geweest, die sinds 1446 de eerste abt van het nog jonge convent was. Het tot op heden nog bestaande klooster werd namelijk in 1444 gesticht door hertog Frederik van Oostenrijk die in het nabijgelegen Neustadt hof hield. De band tussen Frederik en zijn klooster was blijkbaar hecht, want Gottfried beschrijft hoe enige jaren later, nadat de hertog inmiddels als Frederik III keizer over het Duitse Rijk was, de in de keizerlijke kanselarij werkzame notaris Henricus Amhove hem een pauselijke bul overhandigde en om een vidimus verzocht. Deze werd vervaardigd door de geestelijke Ludovicus Rad op een helaas onbekende datum tussen 1452 en 1457.

De pauselijke bul is namelijk gedateerd op 19 maart 1452, de datum waarop Nicolaas V Frederik in Rome tot keizer kroonde. De verstandhouding tussen de twee was, in tegenstelling tot die van hun voorgangers, goed: enkele jaren eerder hadden ze de nog altijd sluimerende Investituurstrijd voorgoed afgesloten met het Concordaat van Wenen. Het benoemingsrecht van hoge kerkelijke ambten, dat het onderwerp van de strijd was geweest, werd onderling verdeeld. Naast de hier verworven rechten had de keizer echter van oudsher het recht van preces primariae (‘eerste verzoek’). Met dit recht viel vanaf de kroning, in elke kerkelijke gemeenschap het eerst vrijkomende beneficie toe aan de keizer, om naar gelieven aan een door hem gekozen kandidaat te verstrekken. Het is niet verwonderlijk dat vele gemeenschappen, met name de stedelijke kapittels, hier schoorvoetend mee akkoord gingen. Een pauselijke bevestiging betekende voor de keizer dus een belangrijke steun om hier zijn recht in te halen. Tegelijk echter betekende een bevestiging ook dat de keizer dit recht had verzocht en verkregen van de paus, en dat de laatste dus in dit opzicht boven de keizer stond.

Met het tonen van deze oudere oorkonden wilde Steenberch, die officieel zaakwaarnemer voor de keizer was, richting zijn Stichtse collega’s de legitimiteit van het keizerlijke preces primariae onderstrepen. Na insertie van de stukken namelijk maakte hij bekend dat heer Ghijsbertus de Porta, priester, door de keizer was gepresenteerd als kandidaat voor een prebende in Zaltbommel. Alle Stichtse geestelijken kregen vervolgens zes dagen de tijd om tegen deze benoeming bezwaar te maken, of hem anders te installeren in zijn beneficie. Het is helaas niet bekend wat de afloop is geweest van deze benoeming: een heer Gijsbrecht is nog niet aangetroffen als beneficiant in de Maartenskerk.

1433_0032Een andere interessante vraag is hoe deze oorkonde in het Tilburgse archief terecht is gekomen? Zoals juist beschreven is, was Steenberch een keizerlijk vertegenwoordiger. Het is echter vreemd dat de oorkonde in Brabant is bewaard gebleven, en niet in het archief van de ontvangende partij in Utrecht. In het archief van het Domkapittel is namelijk geen enkel spoor van een dergelijke akte te vinden. Tussen ’s-Hertogenbosch en Oisterwijk waren in de vroege zestiende eeuw hechte contacten op administratief gebied. Een van de vier Bossche stadssecretarissen was de Oisterwijker Jan Jan Lombarts. Hij was de zoon van Jan Henric Lombarts, die na enige jaren als assistent te hebben gewerkt in de Oisterwijkse secretarie te hebben gewerkt vanaf 1500 secretaris van Oisterwijk was. Na enkele jaren het schrijfambt gepacht te hebben van de hertogelijke Rekenkamer, kocht hij het vanaf 1505 af met een jaarlijkse som van tien gulden. Dit hield in dat hij de rest van zijn leven de volledige beschikking over het schrijfambt had. Dat hij dit heel serieus opnam, blijkt uit het feit dat pas twintig jaar later andere schrijvers in de schepenoorkonden worden aangetroffen. Jan overleed op 27 maart 1531 en werd opgevolgd door zijn zoon. Voor deze soepele opvolging had hij al enkele jaren eerder gezorgd door een overeenkomst te sluiten met de Rekenkamer. Voor een jaarlijkse som van twaalf gulden per jaar zou Jan de jonge zijn vader gedurende drie jaar mogen opvolgen. Jan de jonge was een ‘jonck ende gestileerd man’, aldus zijn vader, en had een meestertitel in de rechten behaald aan de universiteit van Leuven. Kort na terugkeer, vanaf september 1520, trad hij in dienst als assistent van Simon van Coudenbergh, een van de vier secretarissen van ’s-Hertogenbosch. Nadat zijn leermeester op 22 februari 1522 aftrad, volgde hij hem op. Lombarts’ activiteit in de Bossche protocollen werd slechts af en toe onderbroken door reizen naar het buitenland in opdracht van het stadsbestuur. Vanaf 1531 echter, als nieuwe secretaris van Oisterwijk, moest hij zijn aandacht gaan verdelen. In Oisterwijk treffen we zijn hand slechts op incidentele basis aan: het meeste schrijfwerk liet hij na aan twee assistenten. De eerste was Jan van Strael, de ander een notaris genaamd Willem van Bruggen. Van Bruggen was afkomstig uit ’s-Hertogenbosch en heeft zeer waarschijnlijk als ingrossator in de Bossche secretarie gewerkt. Een arbeidsrelatie met Lombarts ligt erg voor de hand, en zou zijn overgang naar Oisterwijk verklaren. Na enkele notariële grossen in 1530 en 1531 te hebben vervaardigd in de vrijheid komt zijn hand vanaf 1532 veelvuldig voor in de oorkonden en protocollen van de schepenbank. Nadat Lombarts de jonge op 1 april 1533 te Mechelen was overleden, op de terugweg van een dienstreis naar Brussel, nam Jan van Strael het ambt over. Op zijn beurt werd hij in 1536 vervangen door Willem, die tot 1551 het secretarisambt uitvoerde. De fragmenten van de oorkonde zijn bewaard gebleven als band van drie van Willems protocollen, en door zijn hand voorzien van een titel en jaartal. Via Willem moet de oorkonde dus vanuit ’s-Hertogenbosch naar Oisterwijk zijn overgekomen. Vermoedelijk zal de oorkonde na verlies van zijn waarde op de Bossche secretarie zijn gedeponeerd om te herbruiken.

Het berusten van deze oorkonde in Regionaal Archief Tilburg is aldus een getuigenis aan de verspreiding van het geschreven woord op het Noordbrabantse platteland en de intellectuele netwerken die de Meierij verbonden met de rest van Europa. De teksten, oorspronkelijk opgesteld in de pauselijke kanselarij in Rome, in het scriptorium van Wiener Neumarkt, en door een schrijver in dienst van de op dat moment in Karinthië residerende keizer, vonden via vele omzwervingen hun weg in gekopieerde vorm naar een lokale dorpssecretarie.

Tekst: Mark Vermeer

Reageren

Contact en informatie
sluit Hulp nodig?

We helpen je graag van maandag t/m vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur via chat.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag wel stellen via e-mail.
sluit Online op dit moment
-
Stel een vraag