Overlijden voor 1811
Voor 1811 was het de kerk die alles registreerde. Het is dan ook niet zozeer het overlijden dat vastgelegd werd, maar de begrafenis. De begrafenis was vooral een religieuze plechtigheid, waarbij de gemeenschap samenkwam om te bidden voor de ziel van de overledene.
Na de Reformatie mochten katholieken hun doden niet langer met een religieuze ceremonie begraven. De katholieke kerken en begraafplaatsen waren geconfisqueerd door de Nederduits Gereformeerde Kerk, maar bleven in gebruik. Katholieken kozen er echter regelmatig voor om hun doden alsnog bij de ontaarde kerk te begraven, omdat daar hun familie lag, en probeerden op allerlei manieren de katholieke tradities in stand te houden. Ook de katholieke pastoors hielden ondanks het verbod nog gewoon begraafregisters bij.
Begraafregisters
In de begraafregisters hield de kerk bij wie er wanneer begraven werd. Vaak staat er niet meer dan een naam en een datum. In latere begraafregisters worden ook wel eens de datum van overlijden, de leeftijd, of de woonplaats vermeld. Bij een overleden kind werden de ouders vermeld maar bleef het kind zelf meestal naamloos. Bij een overleden ouder werden soms de partner en het aantal achtergebleven kinderen genoemd.
In de begraafregisters worden vaak de kosten vermeld die in rekening werden gebracht; het luiden van de klok, de huur van de baar, kaarsen en andere kosten. Sommige registers bevatten zelfs de locatie van het graf in de kerk of kapel. Het was de koster die deze administratie voerde. Dit soort details vind je tot 1795 alleen in de gereformeerde begraafregisters, aangezien de katholieken geen begrafenissen mochten organiseren.
Registraties in de begraafboeken vind je door te zoeken in Personen en te filteren op registratie type begraafakte.
Belangrijk om te onthouden: het Latijn was de taal van de katholieke kerk. De katholieke begraafboeken werden dan ook nog lang in het Latijn bijgehouden. De gereformeerde begraafboeken werden wel in het Nederlands bijgehouden.
Klik hier voor een woordenlijst met Latijnse termen die je vaak aantreft in de doop- trouw en begraafregisters.
Bidprentjes (vanaf 1763)
Bidprentjes worden nog steeds vaak uitgedeeld bij uitvaarten als herinnering aan de overledene. De eerste bidprentjes bevatten vaak alleen tekst. Later werden er ook gebeden en afbeeldingen van heiligen toegevoegd. Vooral in de Katholieke gemeenschap werden bidprentjes uitgegeven als aanzet om daadwerkelijk te bidden voor de overledene. Tegenwoordig staan er ook persoonlijke teksten en foto’s op het kaartje en staat het religieuze aspect wat meer op de achtergrond.
Het oudste bidprentje in onze collectie komt uit 1763. Hou er rekening mee dat deze vroege bidprentjes vaak alleen door welgestelde families uitgegeven werden. Je zult dus niet van iedereen een bidprentje kunnen vinden.
Je vindt bidprentjes door te zoeken in Personen en te filteren op registratie type bidprentje. Ze zijn niet gedigitaliseerd, maar je kunt gratis een scan aanvragen door te mailen naar info@regionaalarchieftilburg.nl.
Voogdij
Als er bij het overlijden van een ouder of beide ouders er minderjarige kinderen achterbleven werd er een voogd of momboir benoemd. Dit was in de meeste gevallen familie. Zij beheerden de nalatenschap en legden hierover verantwoording af voor de schepenbank.
Als de kinderen niet bij familie opgevangen konden worden was het de gewoonte om ze publiek aan te besteden en konden mensen uit de omgeving inschrijven om deze kinderen te onderhouden en op te voeden tegen vergoeding.
Archiefstukken die hierover gaan vind je in het archief van de schepenbank, vaak met de vermelding van Voogdijzaken.