055670 - Detail van een koningsschild van de schuttersgilde St. Joris. Organisatie van een schuttersgilde Als basis voor een gilde dienden de ordonnantien, bepalingen waarin de rechten maar vooral de plichten van de leden waren vastgelegd. Aanvankelijk bestond elk gilde uit 33 leden, een aantal dat op verzoek van St. Joris in 1612 werd uitgebreid tot 41. Een nieuw lid diende voor de magistraat de schutterseed af te leggen, waarin hij beloofde te handelen naar de ordonnantie van het gilde. Schutter werd men voor het leven. Het lidmaatschap kon in principe alleen worden beëindigd indien men tot armoede verviel, buiten de jurisdictie van de stad ging wonen of zich vergaand misdragen had. Het lidmaatschap van de gilden was niet voor iedereen weggelegd. Alleen de hogere standen hadden toegang tot deze exclusieve kringen en ook financieel moest men in goede doen zijn. De meeste leden kwamen uit de gegoede burgerij, en waren vooral middenstanders en kooplieden. Het belang van de gilden blijkt uit het gegeven dat lidmaatschap van één van de drie gilden verplicht was gesteld om deel uit te mogen maken van de magistraat, het college van burgemeesters en schepenen (wethouders). - Foto's & Kaarten

Detail van een koningsschild van de schuttersgilde St. Joris. Organisatie van een schuttersgilde Als basis voor een gilde dienden de ordonnantien, bepalingen waarin de rechten maar vooral de plichten van de leden waren vastgelegd. Aanvankelijk bestond elk gilde uit 33 leden, een aantal dat op verzoek van St. Joris in 1612 werd uitgebreid tot 41. Een nieuw lid diende voor de magistraat de schutterseed af te leggen, waarin hij beloofde te handelen naar de ordonnantie van het gilde. Schutter werd men voor het leven. Het lidmaatschap kon in principe alleen worden beëindigd indien men tot armoede verviel, buiten de jurisdictie van de stad ging wonen of zich vergaand misdragen had. Het lidmaatschap van de gilden was niet voor iedereen weggelegd. Alleen de hogere standen hadden toegang tot deze exclusieve kringen en ook financieel moest men in goede doen zijn. De meeste leden kwamen uit de gegoede burgerij, en waren vooral middenstanders en kooplieden. Het belang van de gilden blijkt uit het gegeven dat lidmaatschap van één van de drie gilden verplicht was gesteld om deel uit te mogen maken van de magistraat, het college van burgemeesters en schepenen (wethouders).

Fotonummer["055670"]
PlaatsHilvarenbeek
Uiterlijke vormfoto
OmschrijvingDetail van een koningsschild van de schuttersgilde St. Joris. Organisatie van een schuttersgilde Als basis voor een gilde dienden de ordonnantien, bepalingen waarin de rechten maar vooral de plichten van de leden waren vastgelegd. Aanvankelijk bestond elk gilde uit 33 leden, een aantal dat op verzoek van St. Joris in 1612 werd uitgebreid tot 41. Een nieuw lid diende voor de magistraat de schutterseed af te leggen, waarin hij beloofde te handelen naar de ordonnantie van het gilde. Schutter werd men voor het leven. Het lidmaatschap kon in principe alleen worden beëindigd indien men tot armoede verviel, buiten de jurisdictie van de stad ging wonen of zich vergaand misdragen had. Het lidmaatschap van de gilden was niet voor iedereen weggelegd. Alleen de hogere standen hadden toegang tot deze exclusieve kringen en ook financieel moest men in goede doen zijn. De meeste leden kwamen uit de gegoede burgerij, en waren vooral middenstanders en kooplieden. Het belang van de gilden blijkt uit het gegeven dat lidmaatschap van één van de drie gilden verplicht was gesteld om deel uit te mogen maken van de magistraat, het college van burgemeesters en schepenen (wethouders).
Datum["1662"]

055670 - Detail van een koningsschild van de schuttersgilde St. Joris. Organisatie van een schuttersgilde  Als basis voor een gilde dienden de ordonnantien, bepalingen waarin de rechten maar vooral de plichten van de leden waren vastgelegd. Aanvankelijk bestond elk gilde uit 33 leden, een aantal dat op verzoek van St. Joris in 1612 werd uitgebreid tot 41. Een nieuw lid diende voor de magistraat de schutterseed af te leggen, waarin hij beloofde te handelen naar de ordonnantie van het gilde. Schutter werd men voor het leven. Het lidmaatschap kon in principe alleen worden beëindigd indien men tot armoede verviel, buiten de jurisdictie van de stad ging wonen of zich vergaand misdragen had. Het lidmaatschap van de gilden was niet voor iedereen weggelegd. Alleen de hogere standen hadden toegang tot deze exclusieve kringen en ook financieel moest men in goede doen zijn. De meeste leden kwamen uit de gegoede burgerij, en waren vooral middenstanders en kooplieden. Het belang van de gilden blijkt uit het gegeven dat lidmaatschap van één van de drie gilden verplicht was gesteld om deel uit te mogen maken van de magistraat, het college van burgemeesters en schepenen (wethouders).
Contact en informatie
sluit Hulp nodig?

We helpen je graag van maandag t/m vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur via chat.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag wel stellen via e-mail.
sluit Online op dit moment
-
Stel een vraag