|
Generaal Sir Colin Muir Barber |
|
commandant van de 15e Schotse Divisie Zonder de manschappen, onderofficieren en officieren van de 15e Schotse Divisie ook maar enigszins te kort te willen doen, wil ik toch wat langer stilstaan bij de commandant onder wiens leiding de Schotten Moergestel bevrijdden op 25 oktober 1944. Met brigadier Villiers stond generaal-majoor C. Barber - net de schaarbrug over de Reusel gepasseerd te zijn - te beraadslagen hoe de colonnes zo snel mogelijk door de nauwe straten van ons dorp geleid zouden kunnen worden naar Biest-Houtakker, Oisterwijk en Tilburg. Dat "zo snel mogelijk" zat er niet in. Als gevolg van de grote hoeveelheid voertuigen die moest passeren en de tegengestelde richtingen waarin men zich bewoog, kwam het verkeer muurvast te zitten. Gebogen over de stafkaarten, welke uitgespreid lagen over de motorkap van zijn jeep (een in die dagen veelvuldig gezien voertuig, dat zijn naam ontleende aan de afkorting van de letters G.P., die stonden voor "general purpose"), beraadslaagden Barber en Villiers tegenover het St.-Antoniusgasthuis hoe het oponthoud zo beperkt mogelijk te houden. De as Best-Oirschot-Moergestel bleek zonder noemenswaardige vertragingen afgelegd te zijn geweest. Naar later bleek, zou Oisterwijk pas de volgende dag (26 oktober) en Tilburg weer een dag later (27 oktober) bevrijd worden. Generaal Barber bracht die nacht in Moergestel door en verbleef als gast in het huis van Huub van Erve, die toen aan de Oisterwijkseweg 76 woonde. (Hij sliep daar in de woonkamer, onder de tafel). Wie was Barber? Generaal Sir Colin Muir Barber werd op 27 juni 1897 als vijfde zoon van John Barber of Little Hayes geboren te Wallasey in het graafschap Cheshire in Groot-Brittannië. Hij ging in Uppingham naar school en werd op 25 januari 1916 2e luitenant bij de Liverpool Scottish en op 1 juni 1916 werd hij bevorderd tot 1e luitenant. In 1917 wist hij zich in Frankrijk te onderscheiden met de 79e Cameron Highlanders, waarvoor hij een eervolle vermelding kreeg. In 1919 scheepte hij zich met het 1e bataljon in naar India en diende daar o.a. in Rawalpindi, Calcutta en Rangoon en werd op 31 januari 1925 bevorderd tot kapitein. Tijdens deze periode wist hij zich te ontpoppen als een uitstekend atleet. Hij ging naar de hogere krijgsschool en werd in 1937 stafofficier in de rang van majoor. Hij werd bevorderd tot 2e officier van de Generale Staf bij de 51e Highland Divisie en ging in 1939 met die divisie naar Frankrijk. In april 1940 werd hij onderbevelhebber van het 1e bataljon. Hij getuigde toen al van een groot strategisch inzicht en werd voor zijn aandeel in de militaire acties onderscheiden met de D.S.O. en kreeg eervolle vermeldingen. Toen hij uit Frankrijk terugkeerde, werd hij aangesteld als commandant van het 4e bataljon in Inverness. Hij ging met dat bataljon naar Aruba, waar hij op 4 november 1940 tot luitenant-kolonel bevorderd werd. In 1941 keerde hij terug naar Engeland en werd benoemd tot 1e officier van de Generale Staf bij de 43e Wessex Divisie. Later, in datzelfde jaar, werd hij benoemd tot commandant van een brigade in de 15e Schotse Divisie en mocht op 30 juni 1943 de rang bekleden van kolonel. Hij keerde in juni 1944 met de 15e Schotse Divisie naar Frankrijk terug en hem werd in augustus van dat jaar het commando over de divisie opgedragen. Hij wist zich in die functie gedurende het verdere verloop van de oorlog op een uitzonderlijke manier te onderscheiden, op grond waarvan hem dan ook vele distinctieven ten deel vielen: Hij werd CB = Companion van de Bath-orde, kreeg een extra-gesp aan zijn D.S.O. (=Distinguished Service Order), de 1939-1945-ster, de Frankrijk-Duitsland-ster, verdedigings- en oorlogsmedailles, de Orde van de Kroon met palm (België), het Croix de Guerre met palm en verschillende eervolle vermeldingen. Op 14 november 1944 werd hij bevorderd tot generaal-majoor. Na de oorlog werd hij benoemd tot commandant van de 51e Highland Divisie en bleef dat tot 1949, waarna hij aangesteld werd tot commandant van de Generale Staf in West-Afrika. Bijna onmiddellijk na deze benoeming moest hij ervan afzien en terugkeren naar Engeland vanwege de ziekte van zijn vrouw, Mary Nixon, die in dat jaar kwam te overlijden. Hij werd vervolgens benoemd tot directeur van de Infanterie en later tot directeur van de militaire opleidingsschool, die ressorteerde onder het Ministerie van Oorlog. Op 27 februari 1952 werd hij bevelvoerend officier van de Generale Staf van het Schotse Commando en gouverneur van Edinburgh Castle en werd daarbij tevens bevorderd tot luitenant-generaal. Ter ere van de verjaardag van de koningin werd hij in 1952 Commandeur van het Britse Keizerrijk (K.B.E.) en mocht als zodanig de titel "Sir" dragen. In 1953 werd hem de kroningsmedaille toegekend. Op 28 maart 1955 ging hij met pensioen. Na zijn eerste huwelijk met Mary Nixon, bij wie hij drie kinderen had, hertrouwde hij in 1953 met Vera Milburn. Op 5 mei 1964, toen hij een partijtje golf gespeeld had en nog een vergadering voorgezeten had, stierf hij: een groot man. Niet alleen vanwege zijn lengte van 2.03 meter(!), wat hem tot de langste officier in de Geallieerde legers maakte, maar vooral vanwege zijn leiderskwaliteiten, zijn onschatbaar gevoel voor humor, zijn echte begrip van vriendschap, wat hem enorm populair maakte bij zijn officieren, onderofficieren en manschappen. Op 11 mei 1964 werd er in de kathedraal van Ripon, Yorkshire, een uitvaartdienst gehouden. Velen rouwden met zijn weduwe, zijn zoon James, zijn dochter Sheena (zijn andere dochter was hem in de dood voorgegaan) en zijn zus Elspeth. "Tiny" Barber was niet meer. De koosnaam "tiny", hetgeen "heel klein" betekent, gaf eens te meer aan hoezeer allen hem in hun hart sloten. Op 30 oktober 1994 krijgt Moergestel zijn Generaal Barber terug, in brons, vervaardigd door de plaatselijke kunstenaar Hans van Brunschot. De generaal, in wie Moergestel zijn dank wil betuigen aan alle bevrijders van de 15e Schotse Divisie. (Aardige bijzonderheid was, dat de Schotse terrier van burgemeester Bardoel de naam "Barber" droeg).
|
|