In 1939 werd de Distributiewet van kracht. De invoer van goederen werd belemmerd en om ieder zijn deel te kunnen geven werden in het najaar van 1939 de rantsoenerings- en distributiemaatregelen genomen. In oktober 1939 kwam suiker als eerste produkt aan de beurt, gevolgd door peulvruchten in november 1939, door koffie, thee, brood, bloem enz. in juni 1940, terwijl in juni 1944 vrijwel alle nog verkrijgbare voedingsmiddelen op de bon waren. De "zwarte handel" bloeide dan ook welig. Bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 1939, nr. 8, werd Moergestel ingedeeld bij de distributiekring nr. 245, waarvan de gemeente Oisterwijk de centrale gemeente was. De distributiekring Oisterwijk was aanvankelijk gevestigd aan de Hoogstraat 595, doch verhuisde later naar de Stationsstraat. Tot de kring Oisterwijk behoorden de agentschappen Haaren, Helvoirt, Udenhout, Berkel-Enschot en Moergestel. Aanvankelijk betroffen de werkzaamheden het invullen en uitreiken van de zogenaamde nooddistributiekaarten, de enquêteformulieren en later de distributie-stamkaarten en de bijbehorende bonkaarten. Het hoofd van de distributiedienst was de burgemeester van Oisterwijk, J. Verwiel en de leider van de distributiekring was P. Bolsius. In Moergestel werd voor het agentschap aangesteld H.A. van Rooij, die in december 1941 werd opgevolgd door Van der Aa, welke laatstgenoemde in september 1942 werd vervangen door Christianus de Greeff, die op 22 november 1944 door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. Elke Nederlander kreeg dus eind 1939 een distributiestamkaart, waarop hij bij de gemeentelijke distributiediensten bonnen en bonkaarten kon krijgen. Op 11 oktober 1939 ging als eerste produkt suiker op de bon. Erwten volgden. De overheid hanteerde het distributiesysteem om de verdeling van economisch schaarse goederen te reguleren. Toen in mei 1940 de Duitsers een steeds groter beslag legden op de Nederlandse produktiecapaciteit en de binnenlandse produktie steeds verder daalde, gingen al snel steeds meer goederen op de bon. Textiel en schoenen in juni, zeep in augustus, aardewerk, glas en electrotechnische artikelen in november 1940, lucifers in januari 1941, tabak in mei 1942, alle huishoudelijke gebruiksvoorwerpen in september 1943. Het autoverkeer werd aan een vergunningenstelsel gebonden. Een aanzienlijk deel van de bevolking was niet in staat - als gevolg van de scherpe prijsstijgingen - om het beschikbare distributiepakket aan te schaffen. Dit leidde tot een zwarte handel in bonnen, waardoor beter gesitueerden de mogelijkheid kregen om - tegen hoge kosten - hun distributiepakket op te voeren. Ook werden bonnen vervalst. Men kan zich voorstellen, dat mensen als Janus Rooijakkers, die onderdak verschaften aan onderduikers en piloten, vindingrijk moesten zijn om de extra magen te vullen. Voor illegalen waren er immers geen extra bonnen. Er "verdwenen" dan ook nogal eens distributiestamkaarten, waardoor verzetslieden en onderduikers bonnen konden krijgen. Eind 1943 besloot Rauter (Höhere S.S.- und Polizeiführer in Nederland) tot invoering van een nieuwe, tweede distributiestamkaart, gekoppeld aan het persoonsbewijs. Vanaf de zomer van 1943 verflauwde de discipline bij het Centrale Distributie Kantoor in Den Haag. Na de oorlog bleek het geen gemakkelijke opgave om de distributiebepalingen spoedig op te heffen. Pas op 14 januari 1952, toen de koffie van de bon ging, kwam er een algeheel einde aan de distributie.
|