|
Door: G.J.W. Steijns.
Deze tekst is eerder uitgegeven in het boek Het Gemeentearchief van Tilburg (Tilburg, 1988), door A.J.A. van Loon, R.M. Peeters en G.J.W. Steijns. De aanvulling voor de laatste jaren is geschreven door mr. J.A.H. Boeren. De zorg voor de archieven in Tilburg Het is niet de bedoeling om hier naast een schets van de archiefzorg in het verleden ook de geschiedenis te geven van de archiefvorming door de verschillende overheidsinstellingen op het grondgebied van de huidige gemeente Tilburg. Daarvoor zij verwezen naar de daarop betrekking hebbende paragrafen in de inleidingen op de reeds verschenen of nog te verschijnen inventarissen van de betreffende archieven. Er dient op dat punt bovendien nog veel onderzoek te worden gedaan. als aanloop tot deze schets volstaan we hier daarom met het volgende. [1]
De kommervolle periode, ca. 1500-1811 In het algemeen kan gesteld worden dat op enkele uitzonderingen na de vorming van een geregeld archief van de eigen Tilburgse organen van bestuur en rechtspraak begonnen is, niet meteen bij de instelling van een door de pandheer aangestelde schepenbank Een schepenbank is de voorloper van de huidige colleges (bestaande uit een burgemeester en wethouders (in België: schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen )). Aan het hoofd van een schepenbank staat (naar gelang de streek) een meier, schout of baljuw. Hij werd aangesteld door de bezitter van de jurisdictie, doorgaans de dorpsheer. Een schepenbank sprak recht in criminele zaken maar deed ook de vrijwillige rechtspraak (verkopingen, testamenten e.d.) De schepenbank had ook tal van bestuurlijke taken. Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepenbank in 1453, maar pas enige decennia later, op het einde van de 15e eeuw. De oudste bewaarde fragmenten van registers waarin akten van of voor schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen zijn ingeschreven (protocol Een gebonden boek waarin akten staan geschreven. ) dateren pas van omstreeks 1497. Dit betreft dus stukken van rechterlijke en niet van bestuurlijke aard. Deze laatste zien we pas in de loop van de tweede helft van de 16e eeuw verschijnen. Dat wil niet zeggen dat ze er niet geweest zijn, hoewel we ons van de overheidsadministratie in een dorp toen geen grootse voorstelling moeten maken. Allereerst moeten we er van uitgaan dat er naast stukken die rechtstreeks met het bezit of het beheer van de heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. te maken hebben, zich in het archief van de heren van Tilburg uit die tijd heel wat bevindt of bevonden heeft dat van meer bestuurlijke aard was. Onderzoek in het te Brussel (fonds Urse) bewaarde archief van de Van Malsens heeft geleerd dat deze heren zich heel direct of via de schout De schout (Latijn, sculetus, Schult, Schulte, Schultheiss) was het hoofd van het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen. Ook kon de schout de voornaamste bestuurder zijn binnen een heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. ; hij werd dan aangesteld door de heer om in diens naam te handelen. (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schout als hun zaakwaarnemer met bestuurszaken bemoeiden. F. Cerutti, de kenner bij uitstek van de institutionele geschiedenis van Breda, is voor die stad al ooit tot een dergelijke conclusie gekomen. [2] Als dit dan geldt voor een stedelijk centrum van een heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. , dan mag zeker voor een dorp als Tilburg worden aangenomen dat de door de heer benoemde schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen zich waar het om de policie ging slechts langzaam een eigen positie hebben verworven. Bovendien werden door de schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen de bestuursbesluiten niet altijd scherp onderscheiden van zaken van judiciële aard, zodat die wel eens verdwaalden in de protocollen die nu terecht tot het rechterlijk archief Archief van de schepenbank waarin de documenten zitten die betrekking hebben op hun optreden als "rechters" in criminele en vrijwillige rechtspraak. van de schepenbank Een schepenbank is de voorloper van de huidige colleges (bestaande uit een burgemeester en wethouders (in België: schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen )). Aan het hoofd van een schepenbank staat (naar gelang de streek) een meier, schout of baljuw. Hij werd aangesteld door de bezitter van de jurisdictie, doorgaans de dorpsheer. Een schepenbank sprak recht in criminele zaken maar deed ook de vrijwillige rechtspraak (verkopingen, testamenten e.d.) De schepenbank had ook tal van bestuurlijke taken. Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepenbank worden gerekend. De doorlopende reeks van resolutiën van het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . begint echter in vergelijking met andere plaatsen in Noord-Brabant wel erg laat, pas in 1710, hoewel overigens van het laatste kwart van de 17e eeuw nog wel enige reeksen kladden, concepten en memorialen daarvan zijn bewaard. Ingekomen stukken van allerlei aard en concepten of afschriften van uitgegane stukken zijn er al van omstreeks 1575. Hetzelfde geldt voor de kohieren en andere met de inning of verpachting van de belastingen samenhangende stukken en voor de administratie van de H.Geest- of Armmeesters. Ook de belangwekkende reeks rekeningen van de burgemeesters betreffende de dorpsfinanciën begint met die over de jaren 1575-'76. Zij compenseren met hun vaak gedetailleerde omschrijvingen van de posten het gemis aan andere bronnen. [3] We mogen uit het bovenstaande nu niet concluderen dat door de dorpssecretaris - de oudst bekende is Mathijs Scheenaerts (1498) - of door rekenplichtige functionarissen vóór 1575 geen zaken van bestuurlijke of financiële aard apart zouden zijn opgetekend en bewaard. Ook moeten we veronderstellen dat zowel de condities van bewaring als de onveilige situatie op het platteland van Brabant omstreeks die tijd er de oorzaak van zijn geweest, dat van het weinige dat er was, nog minder bewaard is gebleven. Daarmee komen we aan het eigenlijke onderwerp van deze schets: de zorg van de overheid voor de archieven. Het oudste bericht over de lotgevallen van archivalia in Tilburg is van 1562. Op 12 oktober van dat jaar verklaart Willem van Gemonde, vice-cureit of onderpastoor van de oude Dionysiuskerk en zoals toen gebruikelijk was tevens notaris, dat terwijl hij met zijn moeder op bezoek was bij de pastoor op de pastorie, zijn huis op de Heuvel is afgebrand en dat daarin enige kasten stonden waerinne hij hadde zekere brieven in franchijne (= perkament) bezegelt, registren van testamenten, obligatien, quitancien, clederen ende gereede penningen, boeken ende andere munimenten (rechtsgeldige stukken) die alle mede verbrand zijn. [4] De notaris was zijn archief kwijt. Tien jaar later in 1572 vinden we aantekening op het omslag van het rechterlijk protocol Een gebonden boek waarin akten staan geschreven. , dat de Zwerte ruijters van Adolf van Holstein in Tilburg waren ende haelden hier alomme grooten rooff, sij rooffden den secretaris van Tilborch, maer sij en ruerden egeen scriftueren. [5] Met deze twee voorbeelden, is duidelijk, hoe kwetsbaar de archieven waren in een tijd dat de openbare functies in een dorp werden uitgeoefend aan huis of in een herberg, wat in feite hetzelfde was, omdat veelal de functie van schout De schout (Latijn, sculetus, Schult, Schulte, Schultheiss) was het hoofd van het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen. Ook kon de schout de voornaamste bestuurder zijn binnen een heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. ; hij werd dan aangesteld door de heer om in diens naam te handelen. (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schout , president-schepen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank Een schepenbank is de voorloper van de huidige colleges (bestaande uit een burgemeester en wethouders (in België: schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen )). Aan het hoofd van een schepenbank staat (naar gelang de streek) een meier, schout of baljuw. Hij werd aangesteld door de bezitter van de jurisdictie, doorgaans de dorpsheer. Een schepenbank sprak recht in criminele zaken maar deed ook de vrijwillige rechtspraak (verkopingen, testamenten e.d.) De schepenbank had ook tal van bestuurlijke taken. Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepenbank ). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen en zelfs secretaris samenging met het exploiteren van zo'n openbare gelegenheid. [6] Brand, roof en krijgsverrichtingen waren daarom funest en we zien dan ook dat men daar voorzorgsmaatregelen tegen neemt. Deze waren soms van incidentele aard, zoals in 1599, toen schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen op 14 juni gerechtsdag hielden, hoewel, zoals men later optekende, op dat moment alle papieren, prothocollen ende andere dorpssecreten binnen der stadt van Tshertogenbossche waren gevlucht omdat Andreas van Oostenrijk door Brabant was opgetrokken naar Zaltbommel. [7] Normaal gesproken werden waarschijnlijk al gedurende de hele 16e eeuw en zeker in woelige tijden de belangrijkste stukken in de kerk in veiligheid gebracht. Dat gold uiteraard voor de schepenprotocollen als voornaamste fundament voor de rechtsorde, hetgeen verklaart waarom juist die de eeuw betrekkelijk ongeschonden hebben overleefd, maar ook voor andere stukken. In 1617 verklaart een oud-burgemeester dat hij het klad plus de bijlagen van zijn rekening over 1588 heeft gedeponeerd bij de secretaris, omdat de originele rekening in 1595 bij de door oorlogsgeweld ontstane brand van de kerk ondermeer andere papieren is verloren gegaan. [8] En al eerder in de dorpsrekening over 1576-'77, wordt verantwoord dat de smid het slot van de com of kist in de kerk, dat door soldaten ontstucken was geslagen, heeft gerepareerd en dat hij bovendien nog een slot heeft gemaakt op de casse van de secretarie, die hij vervolgens ook in de kerk had moeten dragen en met behulp van anderen op het oxaal had gehesen. [9] Die kasse metten sloten ende gehengen daermen die scriftueren en papieren ende munimenten desen dorpe aengaende innen bewaert was een jaar eerder gemaakt door de timmerman Willem Dierick Bogaerts, die daar vervolgens de oude dorpsrekening over 1575-'76 van de burgemeesters 19 gulden en 2 stuivers voor ontving. [10] Mogen we hieruit dus concluderen dat er pas vanaf dat moment van een centrale ordelijke bewaring sprake is geweest? Dat zou dan een derde verklaring zijn voor de schaarste aan archivalia van vóór dat jaar. Tenslotte zien we in een rekening betreffende de herbouw van de kerk na de brand van 1595 een post voor de aanschaf van planken tot een kiste voor de kercke te maken in plaetse van denghene die verbrant was en voor een slot aan die kerckenkist. [11] Alle bovenstaande vermeldingen maken meteen duidelijk dat de archieven in de kerk ook niet onkwetsbaar waren; vandaar het gesleep daarmee naar andere, veiliger geachte plaatsen. Maar ook daar kon het misgaan, want in 1610 en 1614 wordt verklaard dat een bepaalde akte niet meer is vintbaer, overmits men presumeert de prothocollen ende andere munimenten vanden dorpe waren in bewaringe geweest op den Huijse van Loon (kasteel van Loon op Zand), d'welck bij de partije van de Geuniëerde Provinciën is geoccupeert ende alsdoen den registre van de jaere 1581 verduijstert ontvreemt oft verscheurt. [12] In 1622 wordt een later bij het oorspronkelijke gebonden nood-protocol Een gebonden boek waarin akten staan geschreven. aangelegd, omdat alle papieren van den dorpe zijn vervlucht bij de doortocht van de legers van Ernst van Mansfelt en Frederik van Brunswijk. Ook tijdens de belegering van 's-Hertogenbosch zijn ze gevlucht op seeckere secrete plaetsche. [13] Alles bijeen genoeg redenen voor het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . om een zekere bewaarplaats in eigen beheer te doen maken. In 1632 bouwt men een comme oft gewelfde camer omtrent den toren inde kerck om daerin te bewaeren de archieven der gemeijnte. Daartoe werd geld aangewend dat overgeschoten was van de herbouw der kerk, overigens tegen de wil van de pastoor en zonder toestemming van de bisschop. [14] De eerste archiefbewaarplaats van de gemeente Tilburg werd dus al ruim drie en een halve eeuw geleden speciaal voor dat doel gebouwd. En zo kon de secretaris in 1644 aan een geïnteresseerde procureur meedelen dat stukken van een vroeger proces niet bij hem, maar op den com...... inder kercke berustten, alwaar zij zouden liggen ter inzage. [15] Toch moesten op last van een hogere overheid de archieven nog wel eens verhuizen, waarschijnlijk minder omdat men de bewaarplaats niet vertrouwde, maar meer omdat de beheerders werden gewantrouwd. Bij de nadering van de Fransen in 1672 werden de registers, charters ende papieren, die zoveel voor de gezagsuitoefening van de Generaliteit belangrijke informatie bevatten op bevel van de Raad van State naar 's-Hertogenbosch gebracht. Drie jaar later vraagt het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . oitmoedelijck permissie om ze weer op te kunnen halen ende brengen op haere gewoonlijcke plaetse tot Tilborch. Men was het beu om voor elke kleinigheid waarbij inzage in de archieven nodig was, tot grooten costen naar de hoofdstad te moeten reizen. [16] Individuele functionarissen hadden overigens niet zomaar toegang tot de stukken. In 1688 wordt in een conceptbestuursreglement voor de heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. de bepaling opgenomen dat de president-schepen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank Een schepenbank is de voorloper van de huidige colleges (bestaande uit een burgemeester en wethouders (in België: schepenen Het woord schepen is waarschijnlijk ontstaan uit het Latijnse begrip scabinus (lid van een schepenbank). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen )). Aan het hoofd van een schepenbank staat (naar gelang de streek) een meier, schout of baljuw. Hij werd aangesteld door de bezitter van de jurisdictie, doorgaans de dorpsheer. Een schepenbank sprak recht in criminele zaken maar deed ook de vrijwillige rechtspraak (verkopingen, testamenten e.d.) De schepenbank had ook tal van bestuurlijke taken. Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepenbank ). De schepen was een lid (ambtenaar) van een college van oordeelvoorstellers (oordeelvinders) die op rechtzittingen van het volksgerecht (ding) hun oordeel uitspraken. In de Nederlanden kende men de term schepen en schepenbanken van de Middeleeuwen tot 1796 (einde van het Ancien Régime). (bron: Wikipedia) Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schepen en de secretaris ieder een sleutel zullen beheren, omme alsoo gezamentlijcke ter comme te mogen gaen, alwaer der gemeijnte papieren worden bewaert. [17] Niet alleen voor de loutere bewaring der archivalia, maar ook voor het werk van de secretaris en de vergaderingen van het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . werd op den duur ruimte in de kerk geschapen. In de jaren 1681-'83 ontstonden met toestemming van de Raad van State in de rommelhoek tegen de toren een raadkamer, een secretarie en enige bijvertrekken, onder andere voor de stalling van de brandspuit. [18] We mogen aannemen dat de in 1632 gebouwde comme in deze nieuwbouw werd opgenomen, hoewel deze niet meer als zodanig op de plattegrond van 1790 voorkomt. [19] Deze verbouwing van de kerk gebeurde ook weer tegen de zin van de nu hervormde zieleherder en onder groot protest van de herbergiers, die het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . liever zoals vanouds in hun gelagkamers zaken zagen doen. [20] Nu worden ook regelmatig oproepen gedaan om stukken welke tot het dorpsarchief behoren ter secretarie in te leveren; met name rekenplichtige functionarissen zoals ontvangers der belastingen bleven dienaangaande nogal eens in gebreke. dat is nog te merken aan de talloze lacunes.
De zorgeloze periode, 1811-1903
Het valt bij dit alles op dat er steeds een onderscheid is gemaakt tussen de stukken die nog actuele waarde hadden en die welke voor de rechtszekerheid weliswaar van groot belang konden zijn, maar die niet direct bij dehand nodig waren. In de secretarie of thuis lagen de eerste, in de comme en later in de archiefkamer van het in 1849 voltooide stadhuis berustten de laatste, alles echter ook bijna de gehele 19e eeuw door nog onder het beheer van de secretaris. Als in de aan vernieuwingen zo rijke Bataafse en Franse tijd het groeiende besef van het historisch belang van de archieven op nationaal niveau gestalte krijgt in de benoeming van een archivaris des Rijks", merken we op dit punt op het lokale niveau nog niets van veranderingen. er moet eerder sprake zijn geweest van een verslechtering van de condities voor de plaatselijke archieven. Deze verhuizen in 1811 naar de tot gemeentehuis verbouwde voormalige pastorie van de predikant bij de kerk, een gebouw, dat blijkens de jaarlijks daarover in het verslag van het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. terugkerende lamentaties al in de dertiger jaren volstrekt niet meer voldeed aan de behoefte aan ruimte. [21] Toen moet er heel wat mee gesold zijn. Opmerkelijk is dat men bij de afbraak van dit pastorie-stadhuis in 1849 ook de ijzeren kist verkocht waarin de voornaamste gemeentepapieren bewaard werden. De overlevering wil dat deze daarna in het bezit is gekomen van het Sint-Jorisgilde, dat er voortaan zijn gildeschatten in bewaarde. De kist is nog steeds een van de historische pronkstukken van het gilde. [22] Even teruggaande naar de Franse tijd, dient nog vermeld te worden dat toen van hogerhand een voor de gemeentearchieven verstrekkend besluit werd genomen. Bij decreet van 8 november 1810 werd bepaald dat de registers van de schepenbanken en de protocollen van de notarissen door de gemeente bij de griffie van de rechtbank moest worden gedeponeerd. Deze scheiding tussen rechtelijk en notariële archieven enerzijds en administratief anderzijds was uiteraard voor niet deskundigen en in een ongeordend archief moeilijk te maken. Wellicht is dat een reden waarom ondanks herhaalde aanmaningen, zelfs door de gouverneur der provincie, deze scheiding pas in 1887 ingevolge nieuwe koninklijke besluiten door de toenmalige rijksarchivaris zelf (zeer grof naar later blijkt) is uitgevoerd. Twaalf kisten met archiefstukken verdwenen toen naar 's-Hertogenbosch. [23] De deplorabele toestand waarin de archieven zich bevonden na het gereed komen van het nieuwe, helaas inmiddels weer verdwenen monumentale stadhuis aan de Markt, wordt weergegeven in het gemeenteverslag van 1851: Een groot gedeelte der archieven van de gemeente der vorige eeuw zijn op een bovenzaal van het gemeentehuis, expresselijk voor archievenkamer bestemd, voorhanden, doch zijn zoodanig verward en dooreen geraakt, dat het schier onmogelijk is een bepaald onderwerp te kunnen vinden, hebbende deze verwarring volgens overlevering plaats gehad ten gevolge van een indertijd plaats gehad hebbende brand in of nevens het raadhuis in hetwelk archieven geplaatst waren. [24] Deze zeer verwarde toestand is echter pas twintig jaar later op 18 december 1871 aanleiding voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. om de Bredase oud-hoofdonderwijzer en dan leraar aan de Rijks-HBS. B. Kouwenbergh te benoemen tot eerste gemeentearchivaris van Tilburg. Hij nam helaas na twee jaar weer ontslag. Kouwenbergh geeft dat motief niet, maar uit het niets verbloemende enige verslag dat hij van zijn werkzaamheden gaf, kan men de indruk krijgen dat de man het idee had met een hopeloze opdracht te zijn opgezadeld: Bij eene vluchtige inzage van het archief bleek weldra, dat mij geene sinecure was opgedragen. Het lokaal zag er niet ordelijk uit; behalve dat de vakken langs de muren opgestapeld waren met documenten van allerlei aard, lagen er op tafels, zelfs op den vloer stapels papieren in bonte mengeling dooreen. Blijkbaar was er in de laatste jaren door niemand de hand aan gehouden, hetgeen zeer te bejammeren is, daar er onder die papieren eenige waren, die mij belangrijk genoeg schenen, om eene waardiger rustplaats te bezitten dan zo maar als scheurpapier langs de grond te slingeren....Hoe eenige orde in dien chaos? Om ten minste zooveel ruimte te verkrijgen, dat men zich behoorlijk verplaatsen kon, moest ik het belangrijkste van het overtollige scheiden en dit laatste doen opruimen. Alvorens er melding gemaakt kan worden van al het wetenswaardige, dat uit het stof opgedolven werd, zal er nog veel tijd en veel geduld van de archivaris gevorderd worden. Een volledige catalogus van 't Archief over te leggen zal vooreerst wel tot de pia vota behoren: het archief zal eerst behoorlijk gerangschikt dienen te worden. Ter bereiking van dit doel zou volgens mijne bescheiden meening, veel kunnen worden bijgedragen, wanneer 't archief niet meer beschouwd werd als eene plaats, waar ieder zoo maar willekeurig stukken weghaalt of neerwerpt, als ware het een grote mand voor scheurpapier bestemd; hierdoor wordt de arbeid van weken soms in enkele ogenblikken geheel vernietigd. Wellicht komt ook nog de tijd dat de persoon belast met het schoonhouden van het Raadhuis, op de lijst zijner werkzaamheden een post vermeldt om op bepaalde tijden den weldadigen veger of stoffer langs het archief te doen gaan. [25] Na het vertrek van Kouwenbergh werd pas vijf jaar later een opvolger aangesteld in de persoon van J.F. Hanse, oud-griffier van het kanton-gerecht Ander woord voor schepenbank (rechtbank). in Boxtel. Daarmee voltrok zich met name voor de 19-eeuwse archieven een volgende ramp. Hanse was namelijk een iets te rigoureuze opruimer. Zó zelfs, dat hij in de volksmond de bijnaam Jan Scheur schijnt te hebben verworven. Om ruimte te winnen voor de schifting der oude archievestukken werd een groot aantal waardeloze papieren welke op een gemeentehuis steeds voorkomen, zoals naar later bleek de registers van de patentbelasting en inkwartieringslijsten, als scheurpapier verkocht. Na rapport van de rijksarchivaris in de provincie diende het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. zich hiervoor in 1883 ter verantwoorden bij de Commissaris des Konings. [26] Als Hanse in 1893 gestorven is, meldt de rijksarchivaris in zijn jaarverslag dat hij bij een inspectie het oud-archief nog in even grote wanorde als tevoren heeft aangetroffen en dat hij de gemeente zal houden aan haar woord dat er nu toch eindelijk eens iets gedaan zal worden. [27] Toch moet dr. J.B.Schepers, die er in 1894 historisch onderzoek deed, nog meedelen dat hij zich als een parelduiker moest storten in een papierzee, die vanuit de kasten op de vloer lag uitgespreid. [28] En dr. B. Dijksterhuis weet in de inleiding van zijn proefschrift over de geschiedenis van de heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. Tilburg en Goirle al niet veel beters te melden. [29] Schepers kon niet nalaten om het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. op zijn plicht te wijzen. In een brief van 27 mei 1895 schrijft hij: Het is zo jammer, dat het oude archief van Tilburg nog zóó weinig geregeld is, dat het haast hopeloos werk is uit de stapels bescheiden het gewenschte te vinden en ik hoop in mijn beide studies het bewijs te leveren en gedeeltelijk reeds geleverd te hebben, dat voor de algemene geschiedenis van Nederland ook de archieven van een open plaats als deze van belang zijn, niet minder dan die ommuurde vesten als Den Bosch en Breda. Maar wie zal dat alles kunnen mededeelen, als er niet eerst een archivaris als padvinder hem voorgegaan is met zijn talent voor ordening. Met ordenen en catalogiseren van zooveel belangrijks moest iemand zich bezighouden, die niets anders te doen heeft en op de hoogte van het archiefwezen is. Ik zou U wel willen verzoeken in het belang van Tilburgs geschiedenis en die van het geheele Nederlandsche volk voor Uwer archieven een archivaris aan te stellen, die daarvan een voldoend bestaan had, of wel, als U dat te kostbaar dunkt, alle nog niet geordende stukken b.v. de gezegelde der Middeleeuwen ten geschenke te geven aan het Rijks-archief in Den Bosch, zodat de ordening dan door den Archivaris aldaar geschieden kan. Ik voor mij zou echter, als ik in Uwe plaats was, de voorkeur geven aan het eerste voorstel. [30] Rijksarchivaris Bondam heeft na zijn bemoeienissen met het rechtelijk archief in 1889 enige tijd de tweede oplossing voor ogen gehad. Hij heeft het voornemen gehad om zoals bij zoveel andere Brabantse lokale archieven zelf het gehele archief van vóór 1811 te ordenen en te beschrijven. Hij moet echter herhaaldelijk aan het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. schrijven dat hij er door een overvloed aan werk nog niet toe gekomen is. [31]
De zorgzame periode, sinds 1903
In de jaren 1903 tot 1905 zorgt dan eindelijk op aanbeveling van Bondam, een ter zake kundige freelancekracht M.H. van Visvliet, tevoren stadsarchivaris van Middelburg en chartermeester bij het rijksarchief aldaar, voor een naar de eisen des tijds deugdelijke ordening van het archief tot 1810 en een inventaris Boekwerk, waarin volgens een bepaalde ordening de stukken worden beschreven, die in een bepaald archief berusten. , die hoewel de gebreken duidelijk zijn, nog steeds in gebruik is. [32] Het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. meende na ontvangst van de inventaris Boekwerk, waarin volgens een bepaalde ordening de stukken worden beschreven, die in een bepaald archief berusten. zijn plicht gedaan te hebben - strikt genomen was dat ook zo - en ging over tot de orde van de dag. Het oud archief werd weer onder het rechtstreekse beheer van de secretaris geplaatst. Pas de uitvoeringsbesluiten van de archiefwet 1918 gaven de gemeentelijke bestuurderen aanleiding om weer te denken over de aanstelling van een gemeentearchivaris en het stellen van regels voor een goed beheer, alles in de zin van die wet. Dan alleen zouden namelijk zo zogenaamde retroacta van de burgerlijke stand Stelsel, dat in 1811 (in sommige plaatsen in 1796) in Nederland werd ingevoerd, bestaande uit de registratie van akten van geboorten, huwelijken en overlijden. en de naar het Rijksarchief in 's-Hertogenbosch overgebrachte rechtelijke archieven in bruikleen terug ontvangen kunnen worden. De eer van de stad was in het geding. Met deze motivatie werd in 1924 F.H.M. Ouwerling, die al sinds 1 mei 1916 als secretarieambtenaar meer in het bijzonder belast was met de ordening van het oud-archief, formeel door de raad tot gemeentearchivaris benoemd. [33] Tegelijk werden een "Reglement voor de gemeentelijke archiefbewaarplaats en een Instructie voor den gemeentearchivaris vastgesteld. Inmiddels waren de archieven intern verhuisd van een bovenkamer naar vier luchtige vertrekken in het souterrain van het stadhuis, waar ze ordelijk en veilig stonden opgesteld, aldus Ouwerling in zijn eerste uitvoerige verslag over 1916. [34] Dit verslag leert ons dat Ouwerling zich al serieus bekommerde om de kwaliteit van de toekomstige archivalia. Hij maakt zich zorgen over de houdbaarheid van de doorslagen van met de nog prille typemachine vervaardigde stukken. Het begin van de later bij de wet geregelde inspectietaak. Het feit, dat Ouwerling het archivariaat slechts als nevenfunctie bleef vervullen, weerhield de minister er echter van het verzoek tot teruggave van de bovenvermelde archivalia in te willigen. Bovendien waren er twijfels over die beweerde voortreffelijkheid van de bewaarplaats. zodoende duurde het tot na de indiensttreding van zijn opvolger, de geheel voor het archief vrijgestelde en volgens wettelijke voorschriften opgeleide dr. J.A.B.M. de Jong, dat het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. met succes het verzoek kon herhalen. De Jong werd per 1 oktober 1936 benoemd, en vrijwel op hetzelfde moment werd bovendien in het souterrein van het tot representatief raadhuis verbouwde voormalige paleis van Koning Willem II een voor die tijd doelmatige archiefbewaarplaats met studiezaaltje en kantoor voor de archivaris in gebruik genomen. [35] Het paleis-raadhuis is ruim vijftig jaren het onderkomen van de archieven gebleven, zij het dat met de verruiming van de opvattingen over taak en doelstelling van een gemeentearchief en de toename van het aantal beheerde archivalia het in gebruik zijnde oppervlak binnen dat gebouw gestaag is gegroeid. In de zeventiger jaren moest men zelfs daarbuiten in het aangrenzende nieuwe gemeentehuis depotruimte gaan zoeken. De in 1941 benoemde archivaris drs. H.J.A.M. Schurink - De Jong was in dat jaar stadsarchivaris van Nijmegen geworden - heeft tot zijn pesionering in 1972 de gestage ontwikkeling van een eenmansfunctie tot gemeentelijk historisch onderzoeks-centrum meegemaakt. [36] De al in de periode Ouwerling begonnen groei van de belangstelling voor de geschiedenis van eigen plaats en regio, uiteraard samenhangend met een sterker wordend bewustzijn, mee te willen tellen in de rij der Brabantse steden, is aan deze ontwikkeling zeer debet geweest. Zij werd nog bevorderd door de publicitaire arbeid van auteurs als A.J.A.C. van Delft en vooral L.G. de Wijs, die niet aflieten om bijvoorbeeld in series artikelen in de krant de stadgenoten erop te wijzen hoeveel schatten dat archief wel niet in zich borg. De Wijs, een enthousiast heemkundige met brede belangstelling, heeft bovendien zijn aanzienlijke bibliotheek en documentatie alsmede een collectie particuliere of afgedwaalde overheidsarchivalia bijeengebracht, welke na zijn dood in 1955 door de erfgenamen aan de gemeente werden geschonken, en die mede de basis hebben gevormd voor de huidige verzamelingen van het gemeentearchief. Onder de in 1973 aangetreden archivaris drs. J.N.T. van Albeda is deze ontwikkeling voltooid en als het ware geformaliseerd in nieuwe op de archiefwet 1962 gebaseerde gemeentelijke archiefregelingen (1974), terwijl het personeelsbestand en de faciliteiten voor het publiek drastisch werden uitgebreid. [37] Tijdelijk werd naar aanleiding van de opgraving van het kasteel aan de Hasselt een archeologische afdeling met eigen behuizing in de monumentale boerderij De Oliemeulen aan het archief verbonden. Daarnaast ontstond uit de eigen restauratiewerkplaats tezamen met die van het Nederlands Textielmuseum het thans zelfstandig opererende atelier De Tiendschuur. Alle bovengeschetste ontwikkelingen gaven aanleiding tot een koortsachtig zoeken naar middelen en mogelijkheden voor een ruimer en doelmatiger huisvesting. Eerst in 1988 is die dan in de gerestaureerde en van een modern depot voorziene stallen van de Lancierskazerne gevonden. Op die nieuwe lokatie ontwikkelde het Gemeentearchief Tilburg zich meer en meer tot een kenniscentrum voor historische informatie. Midden jaren '90 ging het archief mee in de vaart der volkeren en deden begrippen als email en internet hun intrede. De website groeide uit tot een van de beste sites van het Nederlandse archiefwezen. Bij de gemeentelijke herindeling in 1997 besloten een aantal gemeenten uit de directe omgeving om een dienstverleningsovereenkomst af te sluiten met het Gemeentearchief Tilburg voor het vervullen van de archiefzorg. Hierdoor werd het werkgebied uitgebreid met de (voormalige) gemeenten Berkel-Enschot, Udenhout, Loon op Zand, Oisterwijk, Moergestel, Hilvarenbeek, Diessen, Goirle en Riel. In 1998 besloot ook de gemeente Dongen (incl. 's Gravenmoer) naar het archief in Tilburg te komen. Steeds meer ontwikkelde het Gemeentearchief Tilburg zich tot een organisatie met een regionale functie. Daarom besloot het management in 2000 om de naam aan te passen. Per 1 januari 2001 is gekozen voor de naam Regionaal Historisch Centrum Tilburg. Hierdoor is ook een organisatie ontstaan die mogelijkerwijs in de toekomst zich verder kan ontwikkelen op het gebied van cultureel erfgoed.
Noten [1] Voor het vervolg is o.a. gebruik gemaakt van gegevens die door vorige archivarissen van Tilburg zijn verzameld en gedeeltelijk verwerkt tot ongepubliceerde inleidingen t.b.v. archiefbezoekers. In sommige gevallen was de herkomst van aldus in enige mappen bij een gebrachte stukken niet meer te reconstrueren en wordt simpel verwezen naar Collectie geschiedenis gemeentearchief. Daarnaast is dankbaar gebruik gemaakt van de aantekeningen van wijlen Jos van Dijk berustend in de door hem aan het gemeentearchief nagelaten collectie. Het materiaal is gedeeltelijk door H.Schurink gebruikt voor zijn bijdrage: Uit de geschiedenis van het Gemeentearchief, De Torenklamp, Orgaan van de personeelsvereniging Secretarie Tilburg (december 1964). [2] F.F.X. Cerutti, Stadsarchief en stadsgeschiedenis, De Oranjeboom. Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda XV (1962) p. 1-23, met name p. 4 en 5 [3] M.H. van Visvliet, Inventaris Boekwerk, waarin volgens een bepaalde ordening de stukken worden beschreven, die in een bepaald archief berusten. van het Oud Archief der Gemeente Tilburg (Tilburg 1905), de inleiding en passim. Zie ook de verslagen die hij van zijn inventarisatiearbeid uitbracht aan het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. en die zijn opgenomen in het gedrukte Uitvoering en beredeneerd verslag omtrent den toestand der Gemeente Tilburg (gemeenteverslag) over de jaren 1903, 1904 en 1905. [4] Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud rechtelijk archief (Ora), inv. nr. 617, fol. 63. Over Willem van Gemonde: P.C. Boeren, Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg voor 1600 in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld, Van Heidorp tot Industriestad Verkenningen in het verleden van Tilburg (Tilburg, 1955) p. 97. [5] GAT, ORA, inv. nr. 318, schutblad. N.B. de tekst is sterk aangetast, waardoor de lezing van het woord scriftueren niet geheel zeker is. [6] Boeren, Uit de parochiegeschiedenis, p. 90, en L.G. de Wijs, Gedenkboek bij gelegenheid van de plechtige ingebruikneming van het Paleis van wijlen Z.M. Koning Willem II tot Paleis-Raadhuis der gemeente Tilburg, Tilburg, 1936) p. 12-14. [7] GAT, ORA, inv. nr. 25, civiele rol d.d. 14 juni 1599. [8] GAT, ORA, VARIA ongenummerd: Request van Jacob Jan Hoosemans, Oud burgemeester te Goirle, d.d. 24 februari 1617. [9] GAT, Oud-administratief archief (OAA), inv. nr. 385, fol. 41. [10] GAT, OAA, INV. NR.. 384, FOL. 7v. [11] GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 50 v, 53 en 71. [12] GAT, ORA, inv. nr. 348, fol. 51v-52 en inv. nr. 349, fol. 136. [13] GAT, ORA, inv. nr. 351, fol. 63 en inv. nr. 353, fol. 216. [14] Aldus een afschrift uit 1717 door de toenmalige archivista C. van den Schilde O. Praem. van een niet nader geïdentificeerd stuk in de Nederlandse taal uit het Abdijarchief van Tongerlo, aldaar opgenomen in de bundel losse stukken Tilburg III, 327, fol. 10. De tekst komt echter grotendeels overeen met het in het Latijn gestelde aantekening in het Manuale Pastorum in Tilburg (transcript D. de Jong), fol. 16 van de keerzijde, eveneens berustend in het Abdijarchief Tongerlo onder nr. B. IV. 25, waarnaar Van den Schilde eveneens verwijst. [15] GAT, ORA, inv. nr. 29, civiele rol d.d. 29 februari 1644. [16] GAT, OAA, Varia, ongenummerd: request van (december) 1675 met apostille d.d. 23 februari 1676. [17] GAT, OAA, inv. nr. 92. [18] GAT, OAA, inv. nr. 650; zie ook: De wijs, Gedenkboek, p. 14 e.v. [19] Aanzichten en platte grond van de kerk door H. Verhees in zijn schetsenboek, dat berust in het Archief van de Minderbroeders Kapucijnen te 's-Hertogenbosch. Zie ook: Het schetsenboek van Hendrik Verhees, Jan van Laarhoven ed., ('s-Hertogenbosch, 1975) p. 76-79. [20] GAT, OAA inv. nr. 650: Request van de heer van Tilburg en het dorpsbestuur Vóór 1810 de benaming voor het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. . aan de Raad van State d.d. 15 juli 1683. [21] De Wijs, Gedenkboek p. 27 e.v.; en GAT, archief Gemeentesecretarie (AG) 1810-1907, voorl. inv. nr. 42-42p, Verslagen van de toestand van de gemeente 1835-1850. [22] De Wijs, Gedenkboek, p. 26. [23] Alle stukken met betrekking tot deze en andere zaken betreffende het gemeentearchief zijn in het verleden gelicht uit het Archief van de Gemeentesecretarie 1810-1907 en toen samengevoegd in de Collectie geschiedenis gemeentearchief. Zij zullen na voltooiing van de inventarisatie van het secretariearchief op hun juiste plaats worden teruggebracht. [24] GAT, AG, voorl. inv. nr. 42 g. [25] Correspondentie m.b.t. benoeming en ontslag alsmede het verslag in de Collectie geschiedenis gemeentearchief. Daarnaast: GAT, AG, voorl. inv. nr. 24: notulen van de gemeenteraad d.d. 22 december 1873. [26] GAT, AG, voorl. inv. nr. 107: resolutiën van de vergaderingen van burgemeesters en wethouders d.d. 9 september 1882 en 25 april 1883; en A.G, voorl. inv. nr. 159: minuten en uitgegane brieven 1877-1884. De ingekomen correspondentie m.b.t. deze zaak in Collectie geschiedenis, gemeentearchief. zie ook: H.Schurink, Uit de geschiedenis van het Gemeentearchief. (zie noot 1). [27] Verslag omtrent den toestand van 's-Rijks Oude Archieven (1893) p. 528. [28] J.B. Schepers, Droevige dagen uit de annalen van een Brabants dorp, september 1794-juni 1795, Tijdspiegel, III (1894), p. 353 en J.B.Schepers, Uit oude tijden, een Brabants dorp in het midden der 18e eeuw, Tijdschrift voor geschiedenis, land- en volkenkunde, X (1895) p. 321-344. [29] B. Dijksterhuis, Bijdragen tot geschiedenis der Heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. Tilburg en Goirle Tilburg, 1899) p. 3. [30] Briefwisseling van Schepers met het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. in Collectie geschiedenis gemeentearchief. [31] Briefwisseling van Bondam met het gemeentebestuur Bestuur van een gemeente, bestaande uit gemeenteraad en (vroeger ook) burgemeester en wethouders. in Collectie geschiedenis gemeentearchief. [32] Zie vorige noot, Brief van Bondam d.d. 15 juli 1903. Daar ook zijn correspondentie met Van Visvliet. De bespreking van de inventaris Boekwerk, waarin volgens een bepaalde ordening de stukken worden beschreven, die in een bepaald archief berusten. door E. Wiersum in Nederlands Archievenblad, XIV (1905-1906) p. 184. Een In memoriam M.H. van Visvliet door A. Meerkamp van Embden in hetzelfde blad, XXXVII (1929-1930) p. 85-87. Verder ook noot 3. [33] GAT, Bijlagen tot de handelingen van de gemeenteraad (1924) no. 585: Voorstel in verband met het behouden van het z.g. Oud-archief van de Burgerlijke stand Stelsel, dat in 1811 (in sommige plaatsen in 1796) in Nederland werd ingevoerd, bestaande uit de registratie van akten van geboorten, huwelijken en overlijden. in de Gemeentelijke archiefbewaarplaats. [34] Uitvoerig en beredeneerd verslag omtrent den toestand der gemeente Tilburg over het jaar 1916, bijlage R. [35] GAT, Bijlagen tot de handelingen van de gemeenteraad (1936) no. 349: Voorstel tot het benoemen van een gemeentearchivaris; en 1937, no. 139: Voorstel in verband met het in bewaring terug verkrijgen van de oude gemeentelijke archiefstukken. Over De Jong: L.J. Rogier, Balans van een dubbelleven, Numaga tijdschrift gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving, XV (1968) p. 37 e.v. zie over de voorgeschiedenis van de totstandkoming van het paleis-raadhuis: P.P.G.M. van de Sande Rückert, Ruigvoorn, en de plannen tot uitbreiding van het stadhuis, Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, VI (1988) P. 81 e.v. [36] GAT, Bijlagen tot de handelingen van de gemeenteraad (1940) no. 424: Voorstel tot het benoemen van een gemeentearchivaris. Zie ook: J.H. van Mosselveld, Tilburgs gemeentearchivaris in het zilver, Brabantia XV (1966) p. 30-31; en G.J.W. Steijns, In memoriam drs. H.J.A.M. Schurink, Nederlands Archievenblad, XC (1986) p. 160-162. [37] Van Albada zette zijn opvattingen in 1977 uiteen in een voordracht over Het Gemeentelijk Archiefbeleid in deze tijd, die werd gepubliceerd in: Archief- en Bibliotheekwezen in België, XLIX (1979) nr. 1-2, p. 245-253.
|