Regionaal Archief Tilburg Postbus 4265
5004 JG Tilburg
Bezoekadres:
Kazernehof 75, Tilburg
013 549 45 70
info@regionaalarchieftilburg.nl


 
Home arrow Moergestel arrow De Tweede Wereldoorlog in Moergestel arrow Het verzet

Het Verzet Afdrukken
Die eerste oorlogszomer verliep de aanpassing aan de nieuwe "onvrijheid" als een groot gezelschapsspel. Men deed graag "stoute" dingen, waaruit een vaderlandse gezindheid moest blijken, zonder dat de Duitsers ertegen konden optreden. Men was trouwens meer bevreesd voor NSB-ers en andere landverraders dan voor de Duitsers, die zich zo duidelijk op de achtergrond hielden.
Talrijk waren de kleine tekenen van verbondenheid met en geloof in het herstel van het vaderland, waarmee men elkaar trachtte te herkennen en waardoor een nieuwe gemeenschappelijke houding werd gekweekt. Wie een lucifer met de kop omhoog in zijn knoopsgat droeg, wilde hiermee zeggen "kop op" of ook wel "Oranje boven". Wie zich in tram, trein of bus een zitplaats had verworven, zei demonstratief "O zo!", wat door alle aanwezigen werd verstaan als "Oranje zal overwinnen!" Het stormde nogal eens in juli en augustus en dan zeiden de mensen tegen elkaar: "Geen weer voor Jansen!", waarmee gezegd wilde zijn, dat Hitler bij dit weer niet "gegen England" kon "fahren". Anjerdag, de verjaardag van Prins Bernhard op 29 juni 1940, was zo'n demonstratie, die als onschuldige "stoutheid" was begonnen, maar tot voor de Duitsers alarmerende afmetingen aanzwol.
Verzet tekende zich al vroeg in de bezettingsperiode af. Aanvankelijk betrof het enkelen, die elke gelegenheid aangrepen om te waarschuwen voor de steeds vaker gehoorde gedachte, dat het "allemaal wel zou meevallen". Het zich verzetten tegen deze houding van acceptatie was in feite een eerste vorm van weerstand. Die enkelen grepen naar het "wapen" van de pen en wisten door middel van pamfletten, stencils en ander "drukwerk" hun ideeën onder een steeds breder publiek ingang te doen vinden.
Een andere vorm om zich tegen de Duitse maatregelen te verzetten was onderduiken. Het ging daarbij o.a. om jongemannen, die in het kader van de "Arbeitseinsatz" aan deze arbeidsplicht in Duitsland wilden ontkomen. Maar ook joden doken onder, omdat zij vernomen hadden welk lot hen wachtte als zij in handen vielen van de Nazi's. Piloten behoorden eveneens tot het "leger" van onderduikers. Boven ons land afgeschoten, wisten zij aan de zoektocht te ontsnappen en kwamen dan via een bepaald circuit bij een onderduikadres aan, waar zij voorzien werden van al het nodige om weer op "transport" (Escape) via België, Frankrijk naar Engeland vervoerd te worden.
Die hulp aan geallieerde vliegers, aan onderduikende joden, aan vluchtelingen, aan gezochte verzetsstrijders, aan mannen die weigerden om in Duitsland te gaan werken en aan andere vervolgden maakte het noodzakelijk om deze mensen naast een onderduikadres ook te helpen aan vervalste papieren, distributiebescheiden en bonnen. Al heel gauw werd daarom de behoefte gevoeld om het verzet te bundelen in landelijke organisaties, zoals de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de KP (Knokploegen), welke laatste organisatie distributiekantoren overviel om bonkaarten te bemachtigen, kantoren van de burgerlijke stand Stelsel, dat in 1811 (in sommige plaatsen in 1796) in Nederland werd ingevoerd, bestaande uit de registratie van akten van geboorten, huwelijken en overlijden.
om persoonsbewijzen in handen te krijgen en politiebureaus voor de noodzakelijke wapens.

Om de hulpvaardigheid, de opofferingsgezindheid en ook de moed in beeld te brengen van die Moergestelnaren, die hun naam voor altijd verbonden hebben aan "het verzet", meen ik er goed aan te doen een samenvatting te geven van de gesprekken, die ik met betrokkenen of hun familieleden gehad heb. Ik ben er mij van bewust, dat er oneindig veel meer dorpsgenoten zijn geweest, die een actief aandeel hebben gehad in hun "weerstand" tegen de bezetter en hun hulp aan vervolgden, maar het is ondoenlijk gebleken allen te vernoemen. In degenen die wèl met name genoemd worden, wil ik dan ook die vele niet-genoemden eren.
Op de Broekzijde - huidig adres Donkhorst 5 - woonde tijdens de oorlog Piet Wolfs (18-03-1906/22-12-1980) met zijn gezin: zijn vrouw Mina en de kinderen Koos, Frans, Cor, Nel, Marie en Janus. Tot juni 1940 hadden zij gewoond aan de Pijnendijk.
Het was in het voorjaar van 1943, toen er 's morgens vroeg op de achterdeur geklopt werd. Piet Wolfs (in het dorp sprak men van Piet van Besoijen) was al aan het brood bakken en de rest van de familie was ook al uit de veren. Een onbekend manspersoon maakte met gebaren duidelijk wat hij hebben wilde. Piet verstond hem niet, maar begreep voldoende en liep naar de kast om de paraplu te pakken. Hij maakte deze open en dicht en keek vragend naar de vreemdeling. Deze knikte bevestigend en zo werd al spoedig duidelijk, dat hij met een piloot/parachutist te maken had. Na drie jaar Duits gehoord te hebben, kon hij duidelijk opmaken, dat het hier een Engels sprekend iemand betrof. Later bleek hij uit Canada te komen. Hij was te voet van de Oisterwijkse Hoeve gekomen en had zich richting Broekzijde verplaatst. Zijn metgezellen waren doorgelopen en - naar later bleek - in handen van de Duitsers terecht gekomen in Oirschot. Op zijn lange voettocht had hij zich uiteindelijk te slapen gelegd in de open schuur. Toen het licht begon te worden en zijn maag begon te knorren, klopte hij aan.
Na hem goed van eten en drinken voorzien te hebben, werd Kees Mulderij gewaarschuwd. Deze marechaussee, die onder ingewijden bekend stond onder zijn schuilnaam "Zwarte Kees" en "De Kraai", nam de parachutist mee naar de Gement om hem daar te fouilleren en te proberen zijn ware identiteit vast te stellen. Je kon immers niet voorzichtig genoeg wezen. Mulderij zei dan ook tegen moeder Mina, dat het toch wel veel gewaagd was met al die kinderen, die nu de wetenschap hadden dat er een Canadees bij hen was. Stel je voor, dat zij op school of ergens anders dit nieuws zouden verspreiden ... De veiligheid van het gezin zou daarmee in de waagschaal gesteld worden. Alhoewel moeder overtuigd was van het feit, dat haar kinderen ook dìt geheim goed zouden bewaren, kreeg de kroost 's avonds aan tafel toch nog een lesje om toch vooral niets over het voorval te vertellen. En dat werd begrepen.
De parachutist werd zo spoedig mogelijk via Mulderij naar Janus Rooijakkers gebracht, waarna hij via België, Frankrijk weer naar Canada vertrok.
In de beginjaren van de oorlog heeft de boerderij van Piet Wolfs meerdere malen gefungeerd als tijdelijk onderduikadres. Piet Leermakers, veeverloskundige uit Biest-Houtakker, kwam dan vaak tijdens de middaguren naar Piet Wolfs en wenkte hem dan naar buiten. Korte tijd daarna kwamen Joden van Kasteel Groenendaal uit Hilvarenbeek voor enige tijd hun onderdak kiezen aan de Broekzijde. Zo was dat ook met onderduikers, die overdag op d'n Heuvel ondergedoken zaten en 's avonds in de paardestal van Piet Wolfs de nacht doorbrachten. Als 's avonds het geluid van een fietsbel klonk, dan ging Piet Wolfs naar buiten om zijn onderduikers over te dragen aan Janus Rooijakkers.
Aangezien het met het vorderen van de oorlog aan het kanaal steeds gevaarlijker werd, heeft het gezin van Willeke van Dijk (het laatste huis van Moergestel, richting kanaal) met zes kinderen, de ouders van Piet Wolfs èn de zus van Piet met haar vier kinderen en één knecht moeten evacueren naar het huis van Piet Wolfs aan de Broekzijde. In totaal huisden zo vijfentwintig mensen in de boerderij van Piet van Besoijen.
Weer later heeft het gezin van Piet Wolfs zelf moeten evacueren naar het dorp en wel bij Koos van Kopen (Koos van de Wouw, die met Toke van Elderen getrouwd was). Tijdens deze periode ontdekten Nel van de Wouw en Leen van tante Cato twee Duitsers met verrekijker in een sloot, vlakbij het bakhuisje van Ome Koos. Die twee zaten daar de activiteiten in de gaten te houden van de Tommies, die reeds in Moergestel aangekomen waren. Koos van de Wouw heeft, gezeten vóór op een brencarrier van de bevrijders, de weg gewezen richting bakhuisje en richting Oisterwijk om de Duitse achterhoede op te sporen. Eén Duitser, die uit het paadje bij Bart Trompenaars de Oisterwijkseweg kwam oprijden en richting dorp reed om poolshoogte te gaan nemen, werd, nadat hij de Tommies in de gaten kreeg en op zijn fiets rechtsomkeert maakte, door een "sniper" neergelegd.

In mei 1940 was Janus Rooijakkers met zijn gezinnetje vanuit Biest-Houtakker in Moergestel komen wonen en wel aan de Heiligenboom. Vooral in het begin, toen contacten opgebouwd moesten worden en men nog niet zeker wist of de "zaak" wel te vertrouwen was, werd er gewerkt met uitgescheurde briefjes, waarvan dan het ontbrekende stukje papier bij Janus Rooijakkers was, zodat hij dit kon inpassen teneinde te kunnen vaststellen dat alles "safe" was. Later hoefde dat niet meer. Je had immers je contacten en je had er een neus voor gekregen. Je voelde instinctief aan of de zaak goed zat.
De eerste onderduiker, die zich bij Janus Rooijakkers meldde, was een zekere Frans uit Tilburg. Hij had met Mulderij gestudeerd en die kwam hem dan ook weleens opzoeken. 's Nachts tussen 03.00 en 04.00 uur werd er op het raam geklopt. Mulderij riep: "Janus, ben je wakker? Kom er eens uit. Is Frans ook wakker? Kan hij ook mee?"
Er was een piloot neergekomen bij het Bakseven. Hij was eerst naar de Trappisten gegaan, binnendoor en kwam uiteindelijk bij Piet van Besoijen terecht, waar hij zelf voor de nacht een onderkomen had gevonden in de schuur. Het was dinsdagnacht.
's Woensdags moest Piet nogal eens een keer naar de markt en was dan vroeg op. In de schuur ontwaarde hij de piloot, die hij niet verstond. Piet belde Mulderij. Mulderij naar Janus Rooijakkers en nam Frans mee en de fiets van Janus. Ze bleven lang weg. "Ik maak me zorgen", zei mevrouw Cornelia Rooijakkers - de Lepper. Toen het gezelschap uiteindelijk om 9.00 uur terugkeerde, moesten ze alsmaar lachen. "Ik heb 'm in de kiepenkooi gezet, over de weg." "Wie dan?" "Witte gè dè dan nie?" "Dan gao'k 's efkes kèèken wè dè ge meegebrocht het." De piloot, die in het kippenhok zat, was erg bang. Hij had er welgeteld 24 vluchten op zitten en hij zou er nog één te gaan hebben. Hij had zijn uniform nog aan. Het was een klein ventje. We hadden toen nog geen kleren voor hem. Hij is drie weken gebleven. Het uniform van deze eerste piloot is door mevrouw Rooijakkers in de grond gestopt en Frans, haar zoon, is er - na het een en ander eraan vermaakt te hebben - na de oorlog mee naar school geweest. Als de piloten kwamen, gingen de kleren direct uit en weg.
Janus Rooijakkers werkte samen met Piet Leermakers, die hij erg goed kende van toen hij ook nog in Biest-Houtakker woonde. Pater Lambertus van de Assumptionisten en verblijvend op Hoogen Huijzen fungeerde als contactadres.
De eerste schuilkelder die gebouwd werd, lag achter de Trappisten. Schoolkinderen hadden die ontdekt en de radio eruit gehaald. Later werd er door Jan Dolman en Gerrit Lentink een nieuwe schuilkelder gemaakt achter Dennenhoef. Sjef van Bommel en Bartje de Greeff zaten daar ondergedoken en kregen gezelschap van piloten, zodat de eerste twee voor tolk konden fungeren.
Janus Rooijakkers zorgde zelf voor een ondergronds onderkomen door tussen de grond van Willeke Rijnen en die van hemzelf in de sloot een wal op te werpen. Hij werd van bovenaf dichtgemaakt en hout erop geplant. Het geheel werd met rogge en graszaad ingezaaid en het toegangspoortje werd met gras bekleed. Eén met zijn omgeving. Om erin te komen moest je zo'n vijftien meter van tevoren de sloot in. Er zijn achttien mensen in ondergebracht geweest: onderduikers, piloten en Fransen en zelfs een keer een spion. Tot aan de bevrijding werd hij er achter gehouden en uiteindelijk overgeleverd. In totaal heeft Janus Rooijakkers en zijn vrouw aan 48 piloten onderdak verschaft in verschillende nationaliteiten. Janus heeft eens zoveel onderduikers en piloten gehad, dat zijn eigen kinderen bij Driek van de Meijdenberg moesten gaan slapen. Van elkaar wisten we van de onderduikers, maar Driek en verder niemand wist van de piloten. Het gezelschap moest dagelijks te eten krijgen. De bonnen kwamen van het verzet. Het eten werd elders gehaald. Er werden in die tijd veel varkens geslacht. Dien Rooijakkers, de zus van Janus, kwam dagelijks over de vloer, maar zij wist nergens van. Mevrouw Rooijakkers had een klein deurtje en dat was altijd op slot met de grendel ervoor en de grote deur zat altijd op de ketting om verrassingen te voorkomen. De piloten gingen overdag uit de schuilkelder in de rogge liggen van Willeke Rijnen. Toen Willeke op een keer ging maaien en ontdekte dat zijn rogge plat was, zei hij tegen Janus Rooijakkers: "Ik heb 'n nest in mijne rog. Wat hier toch gaande is..?!"
Op een keer - Janus Rooijakkers had toen drie piloten op de opkamer - kwamen Duitsers om voor vijf man inkwartiering te krijgen. Die ene piloot van het Bakseven/de Oisterwijkse Hoeve; Piet Leermakers had er een gebracht en Gerrit Lentink kwam 's avonds over met de mededeling: "Nou ben ik eraan. Ik heb een piloot en ik krijg morgen inkwartiering." "Breng hem maar hier!" zei Janus en toen waren er dus drie. En dan wilen de Duitsers ook nog ingekwartierd worden.
Janus had al eens eerder tegen zijn vrouw gezegd: "Als het er spant en ge ziet me niet, dan kijk maar in de put." Mevrouw Rooijakkers vertelt. "Ik stond met m'n rug tegen de tafel, met Riek de oudste aan mijn rokken en onze Frans op mijn armen. Onze pa stond in de staldeur, springensgereed. Ik verging van de zenuwen. Er is hier geen plaats meer, zei ik tegen de Duitsers. We hebben twee kleine kinderen. Ga ginds maar eens kijken, daar zijn grote nieuwe boerderijen. Toen de Duitsers weggingen, stopte Janus brood in de tas en trok met de mannen (drie piloten) naar het Hildsven. Op de villa mochten zij niet verblijven, maar wèl in het zomerhuisje. Drie dagen werden de piloten 's morgens weggebracht en 's avonds weer gehaald.
De inkwartiering kwam er toch: twee manschappen en vier paarden met daarbij dan ... de piloten."
Als er door de Duitsers om inkwartiering "verzocht" werd, kwamen er telkens andere uitvluchten. "Frau krank!" "Kleine Kinder!" In ieder geval werd er telkens "geen plaats" gegeven.
Het was in die tijd flink wat beredderen. Onzekerheid en angst, maar ook spanningen. Op een keer werd Frans, de onderduiker, ongeduldig. Hij had al eens eerder signalen afgegeven van zijn ongeduld. Het was duidelijk, dat hij weg wilde. Hij kreeg echter wel een vermanend woord toegesproken. "Denk er-
aan, dat je ons niet in gevaar brengt. We hebben steeds het beste met jou voor gehad. Jou onderdak en eten verschaft, ook jouw familie in Tilburg. Als je gaat, dan moet je dat zelf weten. Ik kan je niet tegen houden." Hij pakte zijn koffertje. Hij was destijds met bijna niets gekomen. Nu ging hij weg met een zwaar koffer. Alle kostuums, die boven aan de draad hingen voor de piloten en onderduikers, waren verdwenen. Hij had er nog twee laten hangen. Ook het donkerblauw kostuum, dat pater Lambertus verwisselde voor zijn toog, als hij naar "de jongens" ging, was weg. Pater Lambertus zette dan de pet van Janus op en de bril van vrouw Rooijakkers en liep dan zo niet in de gaten. Frans is een half jaar geweest. Hij is te voet naar Tilburg vertrokken. Er is nooit meer iets van hem vernomen.
Naast de onderduikers, de piloten, waren er ook nog evacués op de boerderij. Mevrouw Rooijakkers: "Een nicht van onze pa uit Best kwam met haar gezin hier als evacué. Man, vrouw en vijf kinderen. Een oud vrouwke van tachtig jaar, tante Koos, die een gebroken heup had, was in Best achtergebleven. Op weg naar Moergestel had de man van ons nicht een kapotte band gekregen. Het babygoed had hij tussen Oirschot en Best weggegooid om het later op te halen. Moeder was in de schuilkelder in Best achtergebleven. De man ging samen met Janus op de fiets naar Best. Bij de zak met babygoed gooiden ze hun fietsen in de maïs en liepen in de richting van boerderijen, die verlaten waren, op zoek naar een kruiwagen. Ze vonden zo'n echt ouderwetse met zijschotten en gingen naar de Driehoek in Best. Tante Koos zat alleen in de schuilkelder en zou er - met haar gebroken heup - zelf nooit levend uitgekomen zijn. Ze werd van Best naar Moergestel "gekruid" en de volgende dag werden de fietsen opgehaald.
Janus kon zelf vanwege zijn werk voor de illegaliteit niet alle tijd besteden aan het boerenwerk. Rinus de Cort werkte op de boerderij met een onderduiker uit Tilburg. De moffen hadden paard en kar meegenomen. De Duitsers hadden overigens ook alle kippen - minus twee - opgegeten. Maar niet alleen de Duitsers, ook de mensen van de controledienst, zegt Mevrouw Rooijakkers, namen wat niet van hen was. "Ik was in positie van de tweeling. In de zomer gebruikten we de cuisinière en in de winter de plattebuiskachel. Ik stond in de keuken te boteren, want ik wou wel eens "goei boter". Ze kwamen van de controledienst. Ze hebben alle boter meegenomen en ook de houten schalen. De "rome" werd weggegoten."
Toen in Oisterwijk de munitietrein ontplofte (16-09-'44) werd Janus Rooijakkers vergast met een groot aantal leden van de gewapende verzetsgroep Oisterwijk. Bim van der Klei, Jan Brunnekreef en nog tien anderen hebben veertien dagen lang op het schoor gezeten. Toen zij weg waren lag er nogal wat munitie.
Janus Rooijakkers heeft veel contacten gehad, van wie met name genoemd mogen worden: Piet Leermakers, Piet Wolfs (van Besoijen), Pater Lambertus (Theo Vermeulen), Kees Mulderij, Gerrit Lentink, Jan Dolman, maar ook met Leonie van Harssel en Coba Pulskens en met Willem van Biljouw uit Oisterwijk en met Frans van Emst uit Oirschot.
Ad Vogels, die destijds aan de Oirschotseweg woonde, herinnert zich een voorval, waarin Janus Rooijakkers een toen voor hem belangrijke rol speelde. "Ik stond in 1944 aan de Oirschotseweg op straat. Er kwam een jonge Duitse soldaat aan de deur en vroeg om een paard. Hij drukte met zijn pantservuist de klink van de achterdeur omlaag en ging dreigend voor mijn moeder staan. Hij herhaalde waarvoor hij kwam. Mijn vader werd wit en zette hem op een hardhandige manier buiten, waarop de Duitser de stal in ging en een "Fahrrad" moest hebben. De mof ging zonder iets weg. Even later zag ik Duitsers vanaf 't Stokske komen, lallend en met hun geweren in de lucht schietend, zo te zien verkerend in kennelijke staat van dronkenschap. Ze trokken richting Oirschot en hadden het paard van Janus Rooijakkers voor hun wagen staan. Het paard was te herkennen aan één dikke knie. Na veertien dagen - toen ik opnieuw aan de weg stond - zag ik Duitse soldaten met een wagen vanuit de richting Oirschot terugkomen en voor de wagen stond een paard, waarin ik dat van Janus Rooijakkers herkende. Ik op een draf naar Janus Rookijakkers. "Jouw paard staat bij Hoogen Huijzen!" Janus er op af en herinnerde de Duitsers aan de belofte, dat hij zijn paard zou terugkrijgen. De belofte werd ingelost. Hij kon weliswaar niet zijn eigen paard terugkrijgen, maar wel een luxe paard uitkiezen, dat op de "tip" bij Huijsmans stond. Het paard was kreupel, maar Janus gaf Ad later toch nog fl. 25,--, want het paard had een veulen geworpen."
Zowel Janus als zijn vrouw werden onderscheiden voor hun verzetswerk. Van de Confédération Européenne des anciens combattants kreeg Janus "La Croix du Combattant de l'Europe", van de Air Chief Marshal kreeg Janus een oorkonde Een oorkonde is een schriftelijke weergave van afspraken, stammend uit de middeleeuwen. Veelal zijn deze oorkondes op perkament geschreven. Veel oorkonden bleven zo goed bewaard, omdat zij voor latere eigenaren het bewijs van eigendom van een stuk grond of een recht vormden. Ter bevestiging van de inhoud en de echtheid bevestigde men er zijn zegel aan, of getuigen lieten hun zegel eraan bevestigen. (bron: Wikipedia)
Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Oorkonde
voor verstrekte hulp aan piloten, van de president van de Verenigde Staten van Amerika kreeg Janus een door Dwight D. Eisenhower ondertekende oorkonde Een oorkonde is een schriftelijke weergave van afspraken, stammend uit de middeleeuwen. Veelal zijn deze oorkondes op perkament geschreven. Veel oorkonden bleven zo goed bewaard, omdat zij voor latere eigenaren het bewijs van eigendom van een stuk grond of een recht vormden. Ter bevestiging van de inhoud en de echtheid bevestigde men er zijn zegel aan, of getuigen lieten hun zegel eraan bevestigen. (bron: Wikipedia)
Meer informatie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Oorkonde
voor zijn hulp aan geallieerde soldaten en zowel Janus als zijn vrouw ontvingen beiden van het Nationaal Verbond der "Belgische Oorlogskruisen" het Bronzen Kruis in de Orde van Erkentelijkheid voor uitmuntende diensten bewezen aan het Verbond en beiden ontvingen het Verzetsherdenkingskruis.

De beminnelijke Gerrit Lentink (1883 - 1959) woonde met zijn vrouw Th. Lentink-Heere aan de Oisterwijkseweg en was als nachtwaker in dienst bij Pessers Wollenstoffenfabriek en hij was jager/jachtopziener voor de combinatie Mommers. Overdag beschikte Lentink over veel "vrije" tijd en die wist hij goed te besteden. Hij was in 1933 via Zwolle, Driebergen, Oostvoorne, Lactaria (Stevensbeek) in Moergestel komen wonen en in het begin viel het niet mee om als protestant in een katholieke gemeenschap "de weg te vinden". Zijn innemende persoonlijkheid echter deed hem snel vrienden maken. Deze zachte en eerlijke mens ontpopte zich als een hechte schakel binnen het circuit van verzetsstrijders. Hij wist zich daarin vooral ook gesteund door zijn vrouw, die in stilte veel werk voor de illegaliteit verrichtte en door zijn schoonzoon, Henk Sanderse uit Eindhoven.
Samen met zijn compaan Jan Dolman heeft hij menig piloot en onderduiker via de hen bekende vluchtlijnen aan collega-verzetsmensen kunnen doorsluizen naar veiliger oorden.
Op 2e Pinksterdag 1944 was het wel heel erg schrikken geblazen. Lentink had zelf piloten verborgen onder de opkamer. Een gewonde "bomber", Gerrit Lentink, Henk Sanderse en diens dochtertje Gerda van drie jaar liepen te voet naar het kapelletje. Er waren meer mensen op de been. Zij liepen op hun dooie gemak door de bossen in de richting van de boerderij van Janus Rooijakkers. Daar aangekomen bleek het rond de boerderij en op de weg te wemelen van de moffen. Wat te doen? Met ijzige kalmte wist Gerrit het gezelschap langs de "bezettende macht" te loodsen. "Gewoon doorlopen", heette het dan. De werkelijkheid was natuurlijk wel even anders. Als iemand met een idee aankwam, was het antwoord van Gerrit Lentink steevast: "We zullen er eerst eens een nachtje over slapen." Bedachtzaam, steeds de zaken onder controle, omdat er mensenlevens mee gemoeid waren en men moest voorkomen dat anderen nodeloos in gevaar werden gebracht. Velen in het dorp hebben zich nooit gerealiseerd, dat naast Gerrit Lentink ook zijn vrouw een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het verzetswerk.

De uit Voorst (Gelderland) komende Jan Dolman was in september 1938 in Moergestel komen wonen. Hij woonde toen met zijn gezin aan de Tilburgseweg D 73, beter bekend als Villa Dennenhoef. Hij deelde de villa met de uit Loenen afkomstige Gijsbertus Küller, die getrouwd was met de Amerikaanse Elsa Grace Pickhardt. Küller was vossenkweker en had in Oisterwijk een vossenfarm. Jan Dolman heeft tot 1942 op Dennenhoef gewoond en van 1942 tot 1949 op het Trappistinnenklooster. Jan was jachtopziener in dienst van Gijs en Dolf van den Bergh.
"Het was aan het begin van de oorlog", zo vertelt Jan. "Op een maandag bevond ik mij in de omgeving van de boerderij "De Eendracht", die behoorde bij het landgoed "Zonnewende". In een haag trof ik een in aanbouw zijnde bovengrondse hut. Hierbij lagen twee spaden en een oude handzaag. De daarop volgende zaterdag trof ik daar de volgende personen aan: Sjef van Bommel, Toon Horrevorts en Bart de Greeff. Na over en weer gepraat te hebben kwam ik erachter, dat zij deze hut wilden bouwen om - als 't nodig was - onder te duiken om gevrijwaard te blijven om in Duitsland te werk gesteld te worden. Bedoelde plaats vond ik daar ongeschikt voor, omdat deze geen dekking genoeg bood als schuilplaats. Toen heb ik hen aangeboden een betere plaats te zoeken en samen een ondergrondse hut te bouwen. Nadat wij gezamenlijk deze hut in orde hadden gebracht achter "Dennenhoef" bij het Goorven, namen daarin Sjef van Bommel, Bart de Greeff en de Heer Piels uit Kerkdriel hun intrek. Aan het einde van de zomer van 1942 ben ik verhuisd van "Dennenhoef" naar de Trappistinnen. Ook deze onderduikers verhuisden mee en opnieuw hebben we een nieuwe ondergrondse hut gebouwd in de omgeving van de grensscheiding Moergestel, Hilvarenbeek en Berkel-Enschot, ter plekke genaamd "Dieperskoop" oftewel "Jonkerskoop". Hier hebben de navolgende personen hun intrek genomen: Bart de Greeff, Sjef van Bommel, Dhr. Piels, Henk de Wilde (districtsadjudant van de marechaussee uit Tilburg) en Bart Nieuwenhuijzen (Tilburg). Deze personen hebben zich tot na Dolle Dinsdag hier schuil gehouden en af en toe brachten ze ook bij mij thuis de tijd door. Eén keer, hebben wij - Gerrit Lentink en ik - het er erg goed afgebracht. Af en toe namen wij de onderduikers mee om zich eens lekker te laten wassen. Dit deden we in een soort stal van de Heer Verschuuren Piron, die op de grens van ons gebied lag. Op weg naar de hut was het verdacht stil. We hoorden zelfs geen vogel fluiten. We zeiden tegen elkaar: "Vandaag laten we ze zitten. Het zit niet goed." Toen wij het eten in de hut hadden gebracht en we weer boven de grond kwamen, zaten we ingesloten door de Duitse Wehrmacht. Lentink zei tegen mij: "Wat nu?", waarop ik antwoordde: "Gewoon doorlopen, niets aan de hand. Misschien hebben ze niets in de gaten." Ze lieten ons inderdaad gewoon door en stelden geen vragen. Achteraf bleek, dat ze in de loopgraven hadden gezeten uit de oorlog 1914-1918, die thans nog aanwezig zijn. Lentink besloot om 's avonds óók mee te gaan om eten te brengen (Hij ging namelijk niet altijd mee), maar vond het gevaarlijk die dag om mij alleen te laten gaan. Toen wij de hut tot op ongeveer 150 meter waren genaderd, heb ik Lentink met het eten achtergelaten en deze verschool zich in de lange heide. Alleen ging ik op mijn sokken naar de hut om te kijken of alles veilig was. Dit bleek gelukkig zo, alleen, de jongens hadden vreselijk in hun rats gezeten, want de Duitsers hadden gewoon over het luik van de hut gelopen en hadden niets ontdekt. Gelukkig liep het goed af, maar zonder geluk vaart niemand wel."
Op een morgen zijn Jan Dolman en Gerrit Lentink in het jachtveld op controle. In de buurt van het kanaal tussen de Heuvelstraat en de Molenakkers op de terugweg ontdekken ze een persoon in uniform. "Het was een piloot. Hij werd binnendoor meegenomen in de richting van Dennenhoef, dat van de achterzijde benaderd werd. Mevrouw Küller werd erbij gehaald (Wij kenden namelijk geen Engels). Hij bleek luitenant-vlieger te zijn en hij werd verder gebracht naar de hut in de bossen bij de andere jongens. De hut was ondergebracht in een heuveltje, waarop vliegdennen stonden.
Na twee dagen komen er trailers met aanhang vanuit Tilburg in de richting van Moergestel gereden, volgestouwd met Grüne Polizei." Jantje Dolman gaat met zijn fiets naar zijn onderduikers. De Grüne Polizei ontdekt zijn fiets in de bossen. "Wir habben ein Fahrrad gefunden!" De jongens snel de hut in en Jan Dolman loopt in een grote bocht het bos uit. Het bos was inmiddels door de moffen in zijn geheel afgezet. Als bij een drijfjacht met tussenruimten van 15 meter werd het bos afgezocht. "Was müßten Sie im Wald?" vroeg een Feldwebel aan Jan. "Für Wilddiebe! Förster! zei Jan, waarop de Duitser hem toebeet: "Ausweis!" "Dat kun jij toch niet lezen!" was Jan z'n repliek. De mof maakte daarop een beweging als wilde hij Jan schoppen. Jan stak zijn vuist tegen hem op. "Dat kun je proberen, maar dan schop ik terug", waarna Jan opstapte. De fiets van Jan werd meegenomen. Bij boerderij Hoffmans (Tilburgseweg 47) stonden wel honderd man, allemaal Moergestelnaren. Theo Timmermans zei tegen Jan: "Ze hebben jouw fiets meegenomen en zijn in de richting van de Trappistinnen gereden met hun wagens." Jan leende de fiets van Theo. Hij zag de trailers staan bij het Trappistinnenklooster en maakte aanstalten om zijn eigendom van de wagen te lichten. Dit werd verhinderd door twee Duitse wachten. "Das ist mein Fahrrad!" zei Jan. Piet van Rooij en Richard van Geersaem probeerden Jan Dolman mee te krijgen. Jan stemde erin toe. Ondertussen bleven de Duitsers alsmaar de bossen in schieten. Wat was namelijk het geval? De onderduikers waren de hut uitgekomen en waren door de Duitsers gezien. Ze zijn in de richting van Dennenhoef gelopen. Ze gingen in een sloot liggen en vonden beschutting door het vele tophout, omdat de bossen pas gedund waren. De moffen keken omhoog en zagen zodoende de onderduikers en de piloot niet in de sloot. Piels uit Kerkdriel, die via Rini van de Wouw bij Dolman terecht was gekomen, wilde zich overgeven. "Ze vinden ons toch!" Door de anderen werd hij van het tegendeel overtuigd. Na de bossen uitgekamd te hebben, schoten ze een roggeveld in en de Duitsers gingen daarop naar Dennenhoef. Met mitrailleurs kwamen ze de villa doorzoeken. Jan Dolman stond met zijn handen in zijn zakken buiten te kijken. Jan had boven vier geweren onder tabaksbladeren tegen de schouw aan zitten. Ze vonden niets. "Daar waren ze te lomp voor." 's Morgens kwamen de moffen terug. Jan was niet van plan open te maken. Een zus van de vrouw van Jan Dolman verbleef ook op de villa en keek naar buiten. "Fräulein, aufmachen!" Opnieuw moest het "Ausweis" getoond worden en op de gebruikelijke Duitse manier werd er veel geduwd en werden er bevelen gesnauwd. De Heer Küller kwam naar beneden en Jan Dolman bracht zijn gestolen fiets ter sprake. Het bleek, dat die op de Kromhoutkazerne in Tilburg was. Mogelijk door het gesprek van Küller met de Duitser werd overeengekomen, dat Dolman zijn fiets kon komen ophalen. Aangezien de Duitse bewaker van de fiets de ene na de andere ruimte voorbijliep, terwijl Jan zijn eigen fiets al ontdekt had, besloot Jan zelf tot actie over te gaan. Hij liet de mof verder lopen en griste zijn fiets en verdween richting Moergestel.
Gerrit Lentink was vooral "belast" met de distributiebonnen en fungeerde meer als contactman met o.a. Jan Brunnekreef uit Oisterwijk. Lentink kende meer mensen dan Jan Dolman.
"Tijdens mijn verblijf in het Trappistinnenklooster, waar later ook de paters Assumptionisten vanuit Hoogen Huijzen onderdak vonden, heb ik 's avonds verschillende kabels van de moffen vernield," aldus Jan. "De telefoonkabels knipten we door en lieten die in de grond zitten. Vlak erbij groeven we dan een paar greppels, waar de Duitsers dan wel weer in bonkten. We hebben ook een keer een internationale telefoonkabel, die diep in de grond lag, doorgestoken. Dat was een eindje van Van den Bergh vandaan, op de grens Berkel-Enschot/Moergestel. Het gat was gegraven, de kabel doorgestoken. Daar kwam een auto aan. We kregen die laat in het vizier. Wegduiken in de sloot. De Duitse auto stopte en vier geüniformeerden stapten uit en hielden ...een sanitaire stop."
Samen met Lentink heeft Jan eens een piloot zelf naar de Belgische grens gebracht. De "aangeleverde" piloten kwamen via Lentink en pater Lambertus van Jan Brunnekreef en Janus Rooijakkers.

Tijdens de oorlog bestond de politiemacht in Moergestel uit Piet van Rooij, Richard van Geersaem, Kees Mulderij en Bert van Zuilen. De op 25 november 1913 te Laren geboren Kees Mulderij werd op 17 november 1943 vanuit Eijgelshoven overgeplaatst naar Moergestel en woonde toen op het adres Rootvenschestraat D18 (momenteel Rootven 24) en verbleef in ons dorp tot 19-11-1946. De politiepost Moergestel behoorde destijds tot de groep Oirschot en tot de afdeling Best. Piet van Rooij was de postcommandant, J. Jeucken ("Rode snor") de groepscommandant en de afdelingscommandant heette Grob. Kees Mulderij werkte zeer nauw samen met Richard van Geersaem, met wie hij het uitstekend kon vinden. Mulderij was protestant en dat betekende nogal wat in die besloten katholieke gemeenschap, die Moergestel toèn was. Zowel Richard van Geersaem als Kees Mulderij "verzamelden" veel wapens en munitie en borgen dat "spul" op onder het oude gemeentehuis. Alleen burgemeester Bardoel was hiervan ook op de hoogte. Op een dag kreeg de burgemeester bezoek van Duitse inkwartierders. Er kwamen Duitse soldaten in het dorp. De Staf hiervan wilde gebruikmaken van een ruimte op het gemeentehuis. De burgemeester waarschuwde Richard van Geersaem en had graag, dat het "spul" ergens anders ondergebracht werd alvorens de Duitsers zouden komen. Van Geersaem en Mulderij brachten de wapens met munitie 's avonds op een kruiwagen over een afstand van 500 meter over de Dreef naar de tuin van het St.-Stanislausklooster en begroeven het daar. Kees Mulderij leerde veel goede Moergestelnaren kennen, onder wie ook Cornelis Roozen, de mulder (03-06-1888/13-08-1981), die - zo staat op diens bidprentje vermeld - "in de moeilijke oorlogsjaren mensen in nood van het nodige wist te voorzien, door hen gastvrijheid te verlenen en aan tafel te nodigen".
Kees Mulderij vertelt zelf over zijn eerste (en zeker toen niet de laatste) ontmoeting met Piet Wolfs (Van Besoijen). "Piet leefde als een kleine boer van zijn bedrijfje en had als bijverdienste een beetje stropen en smokkel van o.a. paarden. Hij viel nooit iemand lastig en was een goedgemutste Brabander. Ik heb hem al leren kennen, toen ik pas kort in Moergestel was. Op een patrouille kwam ik op zijn bedrijf en hij liet mij een nest jonge honden zien. Hij had mijn belangstelling onmiddellijk in de gaten en ik kon er één kopen. Wij spraken af, dat ik er een kon komen halen als de puppies zes weken oud waren. Ik verbond er de voorwaarde aan, dat ik de eerste keus had. Dit was accoord. Toen het zover was en aan het nest honden kwam, haalde ik een sleutelbos uit mijn zak en rammelde ermee. De eerste puppy die hierop reageerde, was de hond die de mijne werd. Piet, die een goed stroper was, had daar nog nooit van gehoord en zei: "Ze zeggen, dat je uit de stad komt, maar nu ik dit gezien heb, geloof ik dat niet meer. Ik moet wel uitkijken, als ik in het veld ben!" Hij bedoelde: "als ik aan het stropen ben!" Het puppy - een jonge herder - kreeg de naam "King". Het werd een sterke, trouwe hond.
In het voorjaar van 1944 werd ik op een morgen omstreeks 05.00 uur door mijn vrouw wakker gemaakt en ze zei: "Kees, wakker worden. Er is iemand beneden in de keuken." Ik hoorde toen ook roepen: "Volk!" Ik naar beneden en trof in de keuken een 15-jarige boerenjongen aan, de zoon van Piet van Besoijen. Het gesprek verliep als volgt: "Wat kom je doen?" "Of ge direct bij onze vadder wilt komen. Er is 'ne vremde vent bij ons in huis."
"Is het een Duitser?" "Nee, dat geloof ik nie." "Ga maar naar huis, ik kom er aan."
(Destijds vond ik het veiliger om de achterdeur 's nachts niet op slot te doen. Bij onraad was ik sneller achteruit. Bovendien had ik mijn vuurwapen in de dakgoot boven de achterdeur liggen).
Snel wat kleding aangedaan en op weg naar Piet. Hij stond me al op te wachten en vertelde, dat hij een vliegenier in huis had. Hij had hem in het karrenkot, liggende op een platte wagen, aangetroffen. "Omdat hij in het water heeft gelegen, heb ik hem bij de schouw neergezet, dan kan hij wat opdrogen."
Ik mee naar binnen en zag een piloot van de Canadese Luchtmacht zitten, aangegaapt door alle kinderen en de vrouw van Piet. Het ging direct door mij heen: Dit is gevaarlijk! De Brabanders kennende als brave mensen, maar die wel graag praten. Piet zei laconiek: "Ik docht zo bij mezelf, gij wit er wel weg mee!" Mijn reactie was: "Hoe heb jij zo stom kunnen zijn?! Hoeveel ogen hebben deze man al zitten aangapen? Had hem in het kot gelaten!"
Daarna, in mijn steenkolen-Engels en met gebaren maakte ik de Canadees duidelijk wat ik van plan was en dat ik bereid was hem te helpen. Ik begreep, dat hij accoord ging. Toen zei ik tegen het gezin Wolfs: "Luister goed. Deze man gaat met mij mee. Dat mogen jullie tegen niemand vertellen. Als dat wèl gebeurt, dan kom ik hier terug en schiet jullie allemaal kapot."
De piloot werd van droge kleren voorzien en met een geleende fiets van Piet ging ik met een als boerenknecht vermomde piloot op weg naar Janus Rooijakkers.
Later vertelde Cor van de Wouw: "Wat zijn we toen van U geschrokken. We durfden gewoon niet meer over die man te praten."
Mulderij vertelt ook van een merkwaardig verhaal over een vrouw in een boom. "Opperwachtmeester Richard van Geersaem was op patrouille en reed per rijwiel over de Oirschotseweg en keek voor zich uit. In de verte zag hij een ongewone schim in een boom. Naderbij gekomen bleek het een mens te zijn, een vrouw. Vreemd, een vrouw in een boom. Hij vroeg haar wat zij in die boom deed. "Kijken", was het antwoord. "Waarnaar?" vroeg hij toen. "Naar de vogeltjes", zei zij. "Dat is natuurlijk flauwekul. Kom maar eens naar beneden." Zij kwam naar beneden en liet een beetje té opvallend haar "onderstel" zien. Zij deed ook iets té opvallend aanhalig tegen Richard. Hij bekeek haar eens en zij was een vrouw van ongeveer 30 jaar. Hij vroeg haar naar haar persoonsbewijs. Zij was genaamd: Cornelia van Amsterdam. Als beroep stond vermeld: Verpleegster. Vóór dit beroep was kennelijk in het papier geradeerd. Hij vroeg haar wat dat betekende. Haar verklaring was: "Ja, meneer, daar hebben ze in het gemeentehuis "Nationaal-Socialiste" neergezet en dat ben ik niet, daarom heb ik dat uitgekrast."
Dat was natuurlijk onzin, want dat werd nimmer vermeld. Een leugen dus.
Richard vond het maar vreemd. Wist niet goed wat hij daarmee aanmoest. Toen vroeg hij waarheen zij op weg was. Zij vertelde toen op een zogenaamd vertrouwelijke manier, dat zij op zoek was naar haar verloofde, die in de omgeving van Oirschot ergens was ondergedoken. Dat zij hem, Richard, had zien aankomen en uit angst in die boom was geklommen. Dat de Nederlandse politie tegenwoordig ook niet meer te vertrouwen was. Dit klonk iets meer aannemelijk en hij liet haar gaan en zij ging inderdaad richting Oirschot.
Een paar dagen later werd vernomen van Jan van Hest uit Het Broek, dat er een "jong stel" ingetrokken was in het zomerhuisje van de Haagse notaris Dekker. Dit voorval vormde de inleiding op een razzia in Oirschot.
Het navolgende incident heeft een relatie met het voorval rond Cornelia van Amsterdam. Mulderij vertelt: "De jachtopziener - oppasser zegt men in Brabant - Lentink, van de Oisterwijkseweg - een man die veel piloten en onderduikers hielp - deelde mij mee, dat hij zo spoedig mogelijk een onderduikadres zocht voor een ontvluchte Joodse man uit het Kamp Vught. Deze zat nu ondergedoken in Tilburg, maar dat adres was te gevaarlijk.
Ik maakte enige tegenwerpingen, omdat ik mij niet kon voorstellen, dat er nog Joden gevangen zaten in het kamp Vught. Deze waren toch allen al afgevoerd naar concentratiekampen in Duitsland. Ik zei, dat ik wel een adres wist, maar deze man graag eerst even wilde spreken. Dit kon Lentink wel regelen. We maakten de volgende afspraak. De Jood zou 's avonds om acht uur, onder de veranda staan van café Timmermans, hoek Tilburgseweg - Oisterwijkseweg. Zou het gesprek gunstig uitvallen, dan ging hij direct door naar het nieuwe onderduikadres. Zou het gesprek negatief uitvallen, dan zou hem worden meegedeeld, dat hij nog wel van ons zou horen.
Ik ging, 's avonds om zeven uur al de omgeving verkennen en er was niets bijzonders te zien. Tegen acht uur stond de man onder de veranda. Wij gingen een gesprek aan. Het kon inderdaad een Jood zijn. Tenslotte liet hij mij ook zijn kaalgeschoren hoofd zien. Hij boezemde vertrouwen in, maar toen ik vroeg of hij gehuwd was, bevestigde hij dit en voegde eraan toe, dat het huwelijk in Den Haag gesloten was. Toevallig was ik ook in Den Haag in het huwelijk getreden en het was mij toen opgevallen, dat in de trouwzaal een prachtig groot schilderij van Frans Hals hing. Daar was ik een bewonderaar van. Ik vroeg de Jood toen of hem wat opgevallen was in die trouwzaal aan de Javastraat. Nee, er was hem niets bijzonders opgevallen. Ik vroeg hem ook nog of er schilderijen aan de muur hingen. Ik zag hem onzeker worden en hij was niet in staat de trouwzaal te beschrijven. Hij werd een beetje brutaal en lichtelijk geïrriteerd en zei: "Wat heeft dàt ermee te maken?"
Dat hij deze kleine zaken niet wist en een beetje stug werd, behoefden geen aanwijzing in te houden, doch ik kreeg een onaangenaam gevoel en zei tegen de Jood: "Meneer, U hoort nog wel van ons."
Wij gingen beiden uit elkaar. Ik riep daarna Lentink en deelde hem mee, dat ik hem niet kon aannemen en had weggezonden.
Lentink was het daarmee niet eens.
Twee dagen later reed een boerenwagen door Moergestel. De voerman was Lentink en óp de wagen zat de Jood. Lentink had het initiatief genomen de Jood wèl te nemen. Later zou hij daar spijt van hebben. Ongemerkt volgde ik het stel en de Jood werd ondergebracht bij Jan van Hest in Het Broek (Driehuizerweg). De volgende dag werkte hij met boer Van Hest al op het land. Ik wilde het mijne ervan weten. Ik verzocht mijn collega Bert van Zuilen om - als de Jood op het land werkte - zijn bagage eens na te snuffelen. Vrouw Van Hest - die familie moesten wij ook beschermen - had daar geen bezwaar tegen. Het enige wat Van Zuilen vond was zeer belangrijk. Het was een zilveren bestek met de naam erop van een Hotel in Groningen. Gestolen?? Bij controle en navraag bleek dit een N.S.B.-hotel te zijn, waar veel samenkomsten werden gehouden. Weer een vraagteken.
Na een week bleek, dat de Jood zijn onderduikadres bij Jan van Hest had verlaten, met de mededeling, dat hij zich bij hem niet veilig voelde.
Bij observering va het zomerhuisje van notaris Dekker bleek, dat de Jood daar aanwezig was.
Alles bij elkaar genomen vonden wij allen, ook de oppasser Lentink, het maar verdacht. Om zekerheid te hebben, zouden twee collega's uit Baarle-Nassau een onderzoek instellen in het zomerhuisje en zich desnoods uitgeven voor Duitse politie. Zij gingen bij Cornelia van Amsterdam en de Jood op bezoek. Kwamen huiszoeking doen, maar kwamen van een koude kermis thuis.
De Jood - die natuurlijk helemaal geen Jood was - blufte hen gewoon af, vroeg naar een huiszoekingsbevel, wilde een legitimatie zien en pakte de telefoon van de haak en wilde de Duitse politie bellen. Die kans kreeg hij niet. Er vond een vechtpartij plaats. De man en de vrouw werden aan de waterpomp vastgebonden en de twee collega's vertrokken. Zij hadden geen vuurwapens bij zich, anders hadden ze misschien beiden wel koud gemaakt.
Toen wij dit resultaat hoorden, beraamden wij andere plannen, maar zover kwam het niet.

Wat er wèl kwam was een razzia, twee dagen later."
Hierover kan het best Bert van Zuilen vertellen, die zelf een actief aandeel gehad heeft in deze affaire, die zich in Oirschot afspeelde. Bert van Zuilen was in 1940 in dienst getreden van de Koninklijke Marechaussee, in die tijd te vergelijken met de tegenwoordige Rijkspolitie (vóór de reorganisatie), verdeeld in brigades op het platteland. In 1942 werd de rijksveldwacht ingelijfd bij de Marechaussee. In 1943 werd de gemeenteveldwacht van de kleinere dorpen opgeheven en ook ingedeeld bij de Marechaussee. "Op 1 maart 1943 werd ik in verband met deze laatste reorganisatie overgeplaatst van Limburg naar Moergestel, een post van de brigade Oirschot. De bemanning van de Post Moergestel bestond uit Piet van Rooij, postcommandant (voormalig rijksveldwachter), Richard van Geersaem (oud gemeenteveldwachter), Kees Mulderij en ik, beiden Marechaussee. Ik woonde toen bij de familie Tijn van Brunschot aan de Rootvenschestraat.
In de maand juli 1944 werd ik voor enkele weken naar de Brigade Oirschot gehaald. Ik was gehuisvest in een kamer boven het bureau van de kazerne, zoals dat heette. De brigade-commandant woonde in een aangebouwde woning, evenals de twee gehuwde leden van de brigade.
Ik moest altijd beschikbaar zijn. Op de avond van 22 juli 1944 kwamen twee mannen in burgerkleding, van wie één zwaaiend met een pistool, met een arrestant ons bureau binnen stuiven. Het bleken mannen van de Sicherheitsdienst (SD) te zijn uit Den Haag (zogenaamde Schalkhaarpolitie). Ze hadden in Oirschot een razzia gehouden op onderduikers. Deze Schalkhaarpolitie was getipt door Cornelia van Amsterdam en haar "Jood", een zekere G. Hagen, N.S.B.-er uit Groningen.
Er waren twee arrestantencellen achter de kazerne en de S.D.-ers verlangden de opgepakte jongeman, een leeftijdgenoot, daar in te sluiten. Ze zeiden, dat ze hem de volgende dag zouden meenemen naar Den Haag.
Op dat moment was er geen andere keus. Dus, op naar de cellen. De brigade-commandant voorop met de sleutelbos. Ik sloot de rij. Ik zie nog steeds die blik, als van een dier in doodsangst, toen de ijzeren traliedeur van de cel achter hem gesloten werd. Toen wist ik wat er gebeuren moest.
Terwijl de brigade-commandant en de ene S.D.-er terugliepen naar het bureau, bleef de andere landverrader, nog steeds met zijn pistool in zijn handen, achter bij de cellen. Toen ik hem voorstelde om ook maar te gaan, zei hij, dat hij die nacht in de andere cel wilde verblijven om zeker te zijn van zijn buit. Mijn gedachten werkten koortsachtig. Het moet lukken, dacht ik. Ik zei hem, dat hij zich kon overtuigen van de afsluiting van de cellen en heb hem dit als nachtverblijf ontraden, omdat ik die ochtend twee Belgische shagsmokkelaars, die onder de luizen zaten, uit de cellen had ontslagen.
De cellen waren al een poosje leeg, maar wist hij veel.
Ik raadde hem een hotelletje in de buurt aan. Het lukte. Ze zouden hem de volgende ochtend om acht uur komen ophalen. Af door de zijdeur.
Daarna heb ik met collega J. Jorritsma in diens huis (één van de kazernewoningen) overleg gepleegd. Hij zat al een poos in Oirschot, kende de situaties, wist ook wie de ingesloten onderduiker was. Dat was Kees Witteveen (zoon van de eigenaar van Witteveens textielwinkels), al enige tijd in Spoordonk ondergedoken bij boer J. van der Schoot.
Kees Witteveen zou zich ook hebben belast met illegaal drukwerk en volgens Jorritsma zou het er niet best voor hem uitzien. De operatie van de S.D.-ers was, naar later is gebleken, verraden werk (Cornelia van Amsterdam en G. Hagen).
Hoe het ook zij, Kees Witteveen moest er uit. Ik was de enige ongehuwde van de brigade en besefte, dat ìk het moest opknappen. Er was nog één probleem: De sleutels van de cellen. Die had de brigade-commandant zelf onder beheer op een vaste plaats in een kast op zijn kantoor. Hij mocht er niets van weten. Dus wachten geblazen tot alles donker was in het huis van de baas. Intussen trok ik een burgerbroek en trui aan en gymschoenen om geen aandacht te trekken en voor alle eventualiteiten mijn pistool met twee patroonhouders in mijn zak.
Het zal misschien tegen middernacht geweest zijn, toen ik afscheid nam van het echtpaar Jorritsma en via de bovenverdieping van het gebouw langs een binnentrap, die nooit gebruikt werd, naar het kantoortje. Ik was tot het uiterste gespannen. De gedachten tolden door mijn hoofd: "Zou die ouwe niet wakker worden? Zou hij de sleutels meegenomen hebben naar zijn slaapkamer?" Ik had visioenen van represailles tegen de collega's, tegenover mijn familie en verloofde. Doch één gedachte overheerste: Het mensenleven daar in die cel. Ik kon die angstige ogen niet kwijtraken.
Goddank, de sleutels waren er. Langs dezelfde weg terug en naar de cellen. Ik hoorde buiten wat rumoer en heb een poosje gewacht, want ik was nog steeds bang, dat die ene S.D.-er wellicht nog terug zou komen om de zaak te controleren. Toen ik zeker wist, dat alles rustig was en even later de celdeur openmaakte, waar Kees in de kleine ruimte aan het ijsberen was, vroeg hij verwonderd: "Wat, moet ik nu al mee?" Ik zei, dat hij heel stil moest zijn en wel zou zien wat er ging gebeuren. Ik zei: "Kom maar!"
We slopen naar buiten langs de achterkant van de kazerne naar een straat, die we moesten oversteken. Van daar konden we het hotelletje (De Zwaan) zien, waar de S.D.-ers overnachtten. Er was nog leven in de brouwerij. In het lichtschijnsel, dat door de deur naar buiten scheen, zag ik enkele mannen lopen. Ik meende de landverraders te herkennen en zei tegen Kees: "De flikkers zijn nog niet naar bed, kom mee!"
Terwijl we langs binnenpaden naar het buitengebied van Oirschot zijn gelopen, had Kees inmiddels in de gaten gekregen, wat er aan de hand was. Ik hoorde hem mompelen: "Fantastisch, fantastisch!" Ik zei hem, dat hij maar stil moest zijn en dat we er nog lang niet waren.
We zijn tenslotte bij een afgelegen boerderij in een hooiberg gekropen om wat uit te rusten. Bij het krieken van de dag was de boer al in de weer. Hij was eerst een beetje boos toen ik uit de hooiberg kwam glijden, maar toen ik vertelde dat we voor een razzia op de vlucht waren, draaide hij bij. Ik vertelde hem niet wat er gebeurd was, maar vroeg hem of hij naar een bepaald adres wilde gaan en wilde zeggen waar ik was. Eén van de dochters van de boer ging naar de Meidoornlaan in Oirschot, waar de verzetsman Frans van Emst (de waterleidingman) woonde. Frans van Emst heeft, tesamen met Charles Geerlings, zowel mij als Kees opgehaald en de pater-overste Smeets van de Montfortanen heeft foto's genomen, nadat een Engelse pater Curry ons kapsel fatsoeneerde. Er werd een tijdelijk persoonbewijs gemaakt.
De volgende dag, nadat onze gastheer Frans van Emst het dorp goed verkend had en wist dat de landverraders waren afgedropen, zijn we vermomd in oude kleren op geleende fietsen naar een adres ver buiten Oirschot gebracht. Daar zijn we een paar dagen geweest.
De mensen zijn altijd nieuwsgierig en vragen maar. In die tijd kon je echter niet voorzichtig genoeg zijn. We zeiden altijd maar, dat we gewoon onderduikers waren, doch zodra de vragen in de juiste richting gingen, vonden we het tijd om weer op te stappen en een nieuw onderkomen te zoeken. Zo werden we steeds weer opgejaagd. In Oostelbeers, waar we ons definitieve persoonsbewijs kregen (Kees kreeg de naam van Lodewijk Cornelis van Heeswijk en mijn naam werd veranderd in Jaap Johannes van de Pol) hebben we bij een boer alle kippenhokken geteerd, de hele graanoogst mee binnengehaald tot we aanvoelden, dat we te veel werden en ook weer dat eeuwige vragen. Weg wezen!
In het kort kan ik nog vermelden, dat we een flinke tent bemachtigd hadden, deze hadden opgezet in de dichte bossen onder de gemeente Beers. Het was onze opzet om er een winterverblijf van te maken, zodat we niemand lastig hoefden te vallen.
Tenslotte hebben we toch een vast onderkomen gevonden in het buitengebied van Moergestel. Het was een landhuis "Stille Wille", eigendom van een advocaat, dhr. Dekker uit Den Haag, die daar tevens een houten boerderij "Tiges Krippe" bezat. De boerderij, toen nog nieuw, werd gepacht door een veehouder, Van der Horst, die na de oorlog naar de Noordoostpolder is getrokken. Ze wonen nu in Groningen. "Tiges Krippe" ligt er nu wat vervallen bij langs de snelweg Tilburg-Eindhoven. "Stille Wille" ligt aan de andere kant van de Rijksweg, want deze heeft het toentertijd stille Broek doorsneden."

Nog even terug naar Kees Mulderij, die een goed beeld weet te schetsen van "die tijd". "Met de voedselvoorziening in 1944 was het zeer slecht gesteld in Moergestel. Wegens gebrek aan voertuigen en benzine konden de grossiers, voor zover zij nog voorraden hadden, niet afleveren. Het werd nog erger, toen de Geallieerden onze zuidgrens bereikten. Een schijnbaar stevig front hadden de Duitsers in het gebied Eindhoven. Het dorp Best werd grotendeels geëvacueerd. De winkels in Moergestel waren leeg. Babyvoeding was er niet meer te krijgen. Er moest een oplossing komen. De burgemeester van Moergestel was radeloos. Hij zocht naar een oplossing. Ik stelde hem voor om naar 's-Hertogenbosch te gaan. Bij De Gruijter - de naam Zwarte Piet had hij al - zouden nog wat levensmiddelen zijn. Afgesproken werd, dat wij met alle winkeliers - zes in getal - die ieder voor een boerenwagen met voerman zouden zorgen - de volgende morgen om 05.00 uur vanaf het gemeentehuis zouden vertrekken. Er was 1 winkelierster bij, Stien Pas. Wij binnendoor over Oisterwijk-Haaren-Helvoirt-Vught naar 's-Hertogenbosch. Bij eventuele vliegtuigaanvallen zou een ieder op mijn fluitsignaal dekking zoeken. Het was een gevaarlijke onderneming. Om 08.30 uur waren buiten 's-Hertogenbosch allerlei Duitse wachtposten uitgezet. Wij mochten ongehinderd passeren. Bij De Gruijter konden de winkeliers nog havermout, bonen, erwten, suiker en verschillende surrogaten inkopen. Veel was het niet. We hadden het wel op één platte wagen kunnen laden, maar wij verdeelden de levensmiddelen over de zes wagens. De terugweg nam een aanvang en even buiten 's-Hertogenbosch hielden de Duitsers ons aan. Meegedeeld werd, dat wij in opdracht van de Duitse Ortskommandant van Tilburg levensmiddelen mochten halen. Het lukte. We konden verder. Tussen Vught en Helvoirt, op een stuk open betonweg, gebeurde het. Vliegtuigen kwamen vanaf grote hoogte en maakten gebruik van de boordwapens. Wij hadden allen, de boerenknechten ook, dekking gezocht in de berm van de weg. De arme paarden sjokten maar door. Niets werd getroffen. Via de bossen van Oisterwijk kwamen we 's avonds in het donker heelhuids in Moergestel aan. De levensmiddelen werden opgeslagen, onder bewaking gesteld om de volgende dag te worden verdeeld."
"In maart 1944 werd door de Engelse luchtmacht een aanval uitgevoerd op het vliegveld Welschap bij Eindhoven. Duitse vliegtuigen waren toen ook in de lucht en vielen de Engelsen aan. Eén Duits vliegtuig werd door een boordwapen getroffen en kwam naar beneden in een zweefvlucht. De Duitse piloot had het geluk zijn kist aan de grond te kunnen zetten. Waar? Op het grondgebied van de gemeente Moergestel, in Het Broek.
Boeren kwamen aangelopen c.q. aangefietst. De piloot klom uit zijn vliegtuig en beval de boeren het vliegtuig te bewaken. Eén boer kreeg opdracht de piloot - hij kon vanwege een beenwond niet lopen - per rijwiel naar het gemeentehuis te brengen. Ik werd inmiddels gewaarschuwd en trof de Duitse vlieger op het gemeentehuis aan. Een jong arrogant Duits officiertje met een zeer grote mond. Ik vroeg hem waar of hij afgeschoten was. Hij werd woedend en raasde "Nicht abgeschossen, eine Notlandung, Mensch!" en zo ging hij maar door. Hij belde naar het vliegveld Welschap en deelde mee hem terstond af te halen en zorg te dragen voor het transport van het vliegtuig. Mij gaf hij de opdracht terstond naar het vliegtuig te gaan en zorg te dragen voor de bewaking en hij stelde mij daarvoor verantwoordelijk. Toen ik bij het toestel aankwam - het was een oude Stuka van het JU-model - waren er al heel wat belangstellenden. Ik verzocht hen maar te gaan, omdat de Duitsers het vliegtuig kwamen halen. Velen gaven hieraan gevolg. Na een uur of vijf was alles opgelost en het vliegtuig was per auto vertrokken."
Er is nog meer Duits "spul" naar beneden gekomen en wel een paar maanden na de bevrijding. "Half december 1944 is er in Moergestel een V-2 neergekomen en niet ontploft. Hij kwam neer in een weiland, gelegen tussen de Heuvel en de bossen van het landgoed van Van den Bergh (Dennenhoef). Een en ander werd gemeld aan de Engelse autoriteiten in Tilburg. Deze stuurden een paar deskundigen en hebben door verwijdering van het ontstekingsmechanisme het ding onschadelijk gemaakt. Toegezegd werd om nog diezelfde dag een truck met oplegger te sturen om het geleide projectiel op te halen. Deze kwam en met veel moeite werd de V-1 opgeladen en afgevoerd naar een Engels "Civil Affairs"-onderdeel, nr. 505 in Boxtel. Ik keek er vreemd van op, dat de kop van de V-1 gevuld was met normaal verroest ijzerdraad, vermoedelijk als scherfwerking."
In de nazomer van 1944 was Mulderij ook al eens een "lading" gaan afleveren bij "Civil Affairs" in Boxtel. Er kwamen in die tijd vanuit de illegaliteit berichten binnen in code, zoals "Marie gaat haar koffer pakken", met daarop een tweede bericht van "De trein vertrekt vanaf het 2e perron om 16.00 uur." "In die vorm hadden wij ook bericht ontvangen, dat er een lading dynamiet (verpakt in theezakjes) gedropt zou worden in Het Broek, ten noorden van "De Vier Winden". Deze dynamiet was nodig om, in opdracht van de geallieerden, bepaalde objecten in verband met de oorlogsvoering te vernietigen. Dit was het geval met de brug over de Reusel bij Moergestel.
Veertien dagen lang waren we erop uitgeweest om de dropping op te vangen, maar niets kwam. Wel kwamen er een paar nachten vliegtuigen laag over, maar geen theezakjes. We waren van plan om het op te geven en nadere berichten af te wachten, toen Richard van Geersaem (die van de dropping niet op de hoogte was) mij wist te vertellen en mij eigenlijk kwam vragen: "Zeg Kees, bij boer Ketelaars aan de Oirschotseweg hebben ze vanmorgen met het melken thee gevonden. Er stond "thee" op de zakjes, maar er zat geen thee in. Het kan wel gevaarlijk spul zijn. Weet jij daar soms iets van?"
We zijn samen naar boer Ketelaars gegaan en hem gezegd, dat het gevaarlijk spul was. Ook hebben we de omgeving, waar het gevonden was, nog nagespeurd en vonden nòg een pakket. Er bestond een order van de Duitsers, dat een ieder die zulke vondsten of wapenvondsten deed, die moesten inleveren bij de dichtstbijzijnde Ortskommandantur en om dit te bevorderen werden beloningen uitgereikt.
Omdat wij bang waren voor praten, praatjes en geruchten e.d. lieten wij een groot deel van het gevondene door een zoon van Ketelaars bij de Ortskommandant in Tilburg inleveren. Hij ontving hiervoor een beloning van fl. 250,--.
Wij waren veiliggesteld. Hadden nog een deel "thee" over. We hebben het gelukkig niet behoeven te gebruiken. Ik heb het na de oorlog ingeleverd bij "Civil Affairs" in Boxtel."
"Verschillende zaken waren in mijn nieuwe standplaats goed geregeld, stelt Kees Mulderij. Geregeld? Het was meer een gewoonte, want op papier stond er maar weinig. Gelukkig maar in die tijd. "Zo was er nog een èchte dorpsslager, Bart van Heinen (Bart Roozen). Hij had zelf een slagerij, maar was tevens zogenaamd loonslager (slechte varkens voor de boeren). Hij had veel werk in november, de slachtmaand.
Bart was een geziene figuur. Het vlees was op de bon (distributiebonnen). Daar trok Bart zich niet veel van aan. Men kreeg altijd meer dan dat de bonnen aangaven. Als zijn vlees, dat hem was toegewezen, op was, was het net of hij ergens een telefonische opdracht had verstrekt. Dan was plotseling een dier (koe of varken) in nood gestorven. Als een koe bijvoorbeeld een poot had gebroken, dan moest Bart het dier afmaken. Men noemde dit "In nood gestorven". Dit beest ging dan naar de winkel van Bart en mocht dan vrij worden verkocht. Dit werd openbaar gemaakt door de dorpsomroeper. Bart Roozen hielp zo mee de oorlog door te komen."

Buiten het dorp woonde ook Janus van de Wouw, geboren op 8 oktober 1893 en de gezegende leeftijd bereikt hebbend van 93 jaar, met zijn vrouw en negen kinderen aan de Broekzijde C 183. Met de buren Bartje Vugts, Marinuske van Dal, Gustje Mulders, Kees Michels, Jan Mulders en de familie Hendriks en Van Breda was er een hechte band. De bewoners aan de zogenaamde "Frankische Driehoek" vormden toch al een gesloten gemeenschap, waar ieder voor elkaar klaar stond. Die houding kwam te meer van pas tijdens de donkere oorlogsdagen, toen ook Janus van de Wouw zijn boerderij open stelde voor onderduikers.
Op het laatst van de oorlog, toen jonge mannen wisten te ontkomen aan de tewerkstelling in Duitsland, was er volop behoefte aan onderduikadressen. Piet Leermakers had zo zijn entree bij bepaalde mensen en tesamen met Gerrit van 't Klooster en Joop Lamers kwamen er onderduikers, ook in Huize Van de Wouw. Ad van Rooij, de zoon van de rijksveldwachter en neef Piet Boers hadden hun intrek genomen in de stal van Janus van de Wouw en op een goede dag kreeg het tweetal gezelschap van een Utrechtenaar, die - toen hij voor moeder Van de Wouw in het dorp boodschappen zou gaan doen - alle bonkaarten meegenomen had en niet meer werd teruggezien. Bij alle ellende die de oorlog met zich meebracht, was er toch ook wel vertier. Koos van de Wouw nam 's zondags zijn trekzak (accordeon) en bij Bartje Vugts in de schuur werd er dan volop gedanst.
Toen op een dag Koos met zijn vader als drijvers gingen jagen in het gezelschap van Jan de Kock, tandarts Mommers en Pessers en men door het bos liep, toen gebeurde het eens, dat men met zijn kleren achter gaas bleef haken en zo per toeval de schuilplaats "bekend" werd, waarin Gerrit Lentink en Jan Dolman onderdak verschaften aan onderduikers en piloten. Moeder Van de Wouw wist niet waar al het brood bleef, dat zij bakte. Soms wel dertig broden in de week. Door een samenloop van omstandigheden moesten de hongerige magen gevuld worden van de onderduikers, de piloten en de evacués van de Biest, een gezelschap dat in zijn totaliteit 31 personen omvatte. De familie Boers en Rozenbrand verbleven bij Janus van de Wouw, totdat ook voor hemzelf en zijn gezin de toestand gevaarlijk werd. Het gezin - met uitzondering van Janus zelf - trok in bij Piet van Rooij in de Bosstraat (rijksveldwachter) en kreeg deels ook "inkwartiering" in de St.-Josefschool. Het vee werd verplaatst naar het stalleke bij de Klaore, tegenover de Boerenbond.
Zoals gezegd, Janus van de Wouw ging niet mee naar het dorp. Hij zei, dat hij het in zijn benen had en op de boerderij wilde oppassen. In werkelijkheid had hij ook de zorg voor een piloot, die in de bak van de kar verstopt was. Janus wist zijn geheimen voor zijn naaste omgeving goed te bewaren. Hij zorgde er angstvallig voor, dat anderen geen gevaar konden lopen door hen te laten deelnemen in de illegale activiteiten.
De kostbare zaken waren inmiddels in de gierton in de grond ingegraven. De granaten, die vanaf Diessen in de richting van het kanaal afgevuurd werden, drongen steeds verder op en zo trof een granaat de paardestal van Marinuske van Dal. Daarin lag een geëvacueerd gezin, de familie Tibosch, te slapen. De familie Tibosch had met hun boot in het kanaal gelegen en het gerucht was verspreid, dat er munitie in die boot zou zitten. Het schippersgezin trok richting Moergestel en vond onderdak in de schuur bij M. van Dal. Door de granaatinslag werd de zoon, Cornelis Alphonsus Tibosch (08-11-1936, Bocholt) levensgevaarlijk gewond en kwam te overlijden. De moeder raakte een been kwijt als gevolg van de ontploffing en de twee dochters waren zwaar gewond. Leo op 't Hoog Jzn., onderduiker, hield het been vast, terwijl Piet Boers op de fiets naar het dorp ging om medische hulp te halen. Piet Boers (woonachtig in Hilvarenbeek) moest ter hoogte van Jana v.d. Bosch in de sloot dekking zoeken vanwege aanhoudend granaatvuur. De top uit de boom voor het huis van "Jana Bosch" werd weggeslagen. Dokter Van Delft aarzelde niet om mee te komen. Willeke van de Loo (Rode Kruis) kwam ook mee en na de eerste voorzorgsmaatregelen genomen te hebben, werd vanonder de heg de platte wagen tevoorschijn gehaald en het slachtoffer werd vervoerd naar het St.-Elisabeth-ziekenhuis in Tilburg. Onderweg wilden de Duitsers de platte wagen nog vorderen, maar de toestand van de patiënt weerhield hen ervan. Uiteindelijk bleek alle zorg toch nog tevergeefs te zijn geweest: de moeder was in het ziekenhuis gestorven.
Toen de bevrijding een feit was, bleek Janus van de Wouw opmerkelijk snel opgeknapt te zijn. Zijn zorg voor onderduikers en piloten was voorbij. Het paard werd ingespannen en de rit ging vanuit Achter het Bos, waar de Engelse kanonnen opgesteld stonden, in de richting van de Broeksie. De stal was inmiddels door "bevriende" soldaten ingenomen, die beloofden er de volgende morgen uit te zijn, zodat het "normale" leven weer op gang kon komen.

Het kon gebeuren dat slechts echte ingewijden op de hoogte waren van elkaars activiteiten. Aan de Heiligenboom gaf naast Janus Rooijakkers ook Driek van de Meijdenberg hulp aan onderduikers. Jan Haverkamp uit Tilburg, Bertus Huijsman uit Den Haag, Toon Willems uit Moergestel en Jules Gimbrère uit Tilburg, die op het gemeentehuis werkte, deelden met het gezin van Driek de boerderij aan de Heiligenboom. Driek had gedwongen Duitse inkwartiering gekregen. De Duitse soldaten van de cavalerie lagen met hun paarden op de boerderijen op 't Stokske, zo ook bij Driek van de Meijdenberg, waar twee Russische krijgsgevangenen voor de paarden moesten zorgen.
Het wemelde in die contreien van de "Feldgrünen". Er stond nogal wat Duits geschut opgesteld, onder meer aan 't Stokske tussen Mutsaers en Beerens en bij Bartje Roozen (Stokske 5), de postbode, had de Oberfeldwebel een kamer voor zichzelf gevorderd.
Ook in de Heuvelstraat bij Jaon Mulders werd een veilige "thuishaven" verschaft aan onderduikers. Een herinnering van onderduiker Gerrit van 't Klooster, die bij Mulders meer vond dan alleen maar onderdak, vertelt zijn verhaal: "In 1943 werd door het Bureau Ruilverkaveling te Utrecht een ruilverkavelingsobject in Moergestel uitgevoerd. In genoemd jaar werd, na het terugvoeren van de officieren van het Nederlandse leger, door de bezetter het bevel uitgevaardigd tot terugvoering in krijgsgevangenschap van de onderofficieren. Op het Bureau Ruilverkaveling, waar een echte vaderlandse geest heerste, was een contact met de Landelijke vereniging tot plaatsing en verzorging van diegenen, die zich niet aan de bevelen van de bezetter wilden onderwerpen. Zodoende werd ik als vertegenwoordiger geplaatst, onder het mom van landmeter in Moergestel. Na enig voorbereidend werk van een van de ambtenaren van de Ruilverkavelingsdienst, ging ik samen met vriend Joop Lamers, met de trein naar het voor mij onbekende Brabantse land. In Oisterwijk werden onze benodigde spullen door middel van paard en wagen vervoerd naar het toenmalige hotel "Het Fortuijn" aan de Raadhuisstraat in Moergestel. Met behulp van de plaatselijke kapelaan A. Vissers kwamen wij op ons adres bij A. Mulders in de Heuvelstraat. Voor de overnachting werden wij gastvrij ontvangen bij de familie Jos van de Laak in de Kerkeindse Hei. Het was de bedoeling, dat wij plaatsen zouden zoeken, vermomd als landmeters, voor andere onderduikers. Als contactpersoon trad op de echte ambtenaar van het Bureau Ruilverkaveling, Werner, die op 't Stokske verbleef. Na verloop van enige tijd hadden wij verschillende personen in o.a. Moergestel, Middelbeers, Casteren en Biest-Houtakker, die adressen voor ons opzochten. Ook het contact met de Trappistenabdij d.m.v. de zeer enthousiaste broeder-portier was voor ons een welkome uitwijkmogelijkheid bij moeilijke momenten. Onderduiken was voor velen nu niet bepaald een pretje. De Brabantse gastvrijheid van de gastgezinnen en de onderlinge contacten zorgden ervoor, dat er toch een prettige herinnering voor hen kon overblijven. Want vooral de zondagse bijeenkomsten op ons adres in de Heuvelstraat waren momenten om naar uit te zien. Dat het onderduiken van geen gevaar ontbloot was voor gastgezin en onderduiker blijkt wel uit o.a. het navolgende voorval. (Later trouwde Gerrit van 't Klooster met Sjaan Mulders).
Op een nacht werd met hevigheid op het raam van onze slaapkamer gebonsd met de tijding, dat spoedig onze verblijfplaats zou worden omsingeld. Door de kalme houding van de mensen wisten wij geheel te vertrouwen op onze valse papieren. De "Feldgendarmerie", aangevuld met "foute" politie uit Tilburg, kwamen binnen en verspreidden zich voor onderzoek door de boerderij. Helaas werd een mede-onderduiker gevonden. Hierdoor werd een intens onderzoek op onze papieren en andere bezittingen gelukkig gestaakt. Wij moesten samen met de onderduiker en de "gastbaas" mee naar het politiebureau in Tilburg. Na een overleg mijnerzijds met de "leider" moest alleen de collega-onderduiker, Wilhelmus C.J.M. Wubben, mee. Wij moesten ons 's morgens om 09.00 uur in Tilburg melden, waaraan wij uiteraard geen gevolg hebben gegeven. Nadat zij met de onderduiker vertrokken waren, zijn wij met de grootste spoed vertrokken via ons adres in de Heuvelstraat naar Middelbeers. Onze bezittingen werden direct overgebracht naar de Heuvelstraat. Tijdens ons verhaal bij een van de onderduikers in de Haghorst werden wij blij verrast door het weerzien van de collega-onderduiker die 's nachts was meegenomen. Hij was in de nacht van 5 op 6 juli uit het arrestantenverblijf van het Hoofdbureau van Politie in Tilburg uitgebroken, was zijn nuchtere opmerking. De spanning zat er voorlopig weer goed in, vooral ook nadat een goede bekende in Biest-Houtakker 's nachts was neergeschoten (Piet Leermakers). September 1944 begon de terugtocht van de bezetter in onze omgeving. Daar de Heuvelstraat in de frontlinie kwam te liggen, moesten de mensen vertrekken. Gelukkig hadden wij ons goede contact met broeder-portier van de Trappisten en zodoende konden onze mensen onderdak vinden in de abdij. Dat was een bijzonder iets, daar het verblijf van vrouwen in de abdij streng verboden was. Daar hebben wij na enige tijd de bevrijders zien komen. Wat dàt betekent kunnen alleen zij begrijpen, die het hebben meegemaakt. Nadat wij allemaal weer teruggekeerd waren in onze vertrouwde omgeving van de Heuvelstraat, meldden wij ons op het gemeentehuis. Daar kreeg ik weer mijn eigenlijke naam. Samen met enkele andere jongens uit Moergestel gingen we ons melden voor het op te richten Regiment Stoottroepen, compagnie Margriet in Eindhoven.
Dit is in het kort een herinnering van een dankbare onderduiker, die ervaren heeft wat gastvrijheid en hartelijkheid in het Brabantse land, in het bijzonder in Moergestel, in een mensenleven kan betekenen."

Aan het andere eind van het dorp, in 't Broek en met name aan de Reedijk woonde Kees Geerts. Hij had in Gilze-Rijen, waar hij op 3 maart 1915 geboren was, zo vlak bij het vliegveld, al zijn portie gehad van de oorlog. In april 1941 was hij in Moergestel komen "wonen". Hij had er samen met Harrie van de Loo uit Hilvarenbeek, Toon van de Sanden uit Diessen, Christ Donkers uit Oosterhout, Janus Leermakers uit Haaren en Jan van de Meijdenberg uit Moergestel grond gekocht van de Domeinen en de Stichting Ontginning Werkverschaffing had met de toewijzingscommissie, bestaande uit de rentmeester uit Klundert, Ir. Mettrop uit Den Bosch en burgemeester Bardoel, met die aankoop het sein gegeven tot "aanvang werkzaamheden" in Het Broek. In Gilze-Rijen had Kees Geerts al getuigd van de ware verzetsgeest. Op allerlei manieren wist hij de bezetter in zijn plannen te dwarsbomen. Hij had veel contacten gelegd en contacten neem je nu eenmaal mee. Het Broek was een uitermate geschikt gebied voor de illegaliteit: zeer afgelegen, geen electriciteit, geen waterleiding en bij de rijksweg een dicht bos. Wie moest er wàt gaan zoeken?
Zo heeft Kees Geerts eens onderdak verschaft aan een Pool, die uit het Duitse leger gedeserteerd was. Een Engelse piloot, die op Balsvoort was neergekomen, werd door hem met een roeiboot over het kanaal gezet, waarna hij door een Beekse verzetsstrijdster (in overall!) verder werd gebracht. Via Hoek van Holland is hij weer in Liverpool terecht gekomen. Kees heeft destijds het uniform met insignes ergens in Het Broek begraven. "Ik zou het nou niet meer kunnen terugvinden."
Veel evacués vanuit de naaste omgeving (de familie Evers, Traa en Van Gestel van de Haghorst en Marinus van Esch en Bertus van Boxtel uit Moergestel), maar ook jongemannen, die in Duitsland te werk gesteld en gevlucht waren vonden in Het Broek een veilig onderkomen.
Er waren veel hachelijke momenten. Zoals die keer, toen Duitse seiners (Funker) in de boerderij zaten en Engelsen een geschut wilden opstellen. Het gebied mocht dan wel uitermate geschikt zijn, maar naarmate de oorlog op zijn eind begon te lopen, kwam de locatie steeds meer in de vuurlinie te liggen, zo vlakbij het kanaal. Bij diè gelegenheid werd een koe in de wei door een granaatscherf getroffen. Het dier werd snel naar de boerderij gebracht. De Duitsers eisten de koe op, maar de mededeling, dat het vlees eigenlijk niet meer voor de consumptie geschikt was, leidde ertoe, dat de Duitsers uiteindelijk met een achterbout genoegen namen. Het was in die tijd ook, dat Van Dusseldorp door een granaat getroffen werd en dodelijk gewond raakte.
Op het eind van de oorlog werd het Broek overspoeld met Tilburgers, die informeerden of er voor hen nog etenswaren beschikbaar waren. Het was toen oppassen geblazen, omdat er onder die mensen nogal eens N.S.B.-ers schuilgingen.
Afstanden telden in die tijd niet. Kees heeft een 4 tot 5 ton haver, die bestemd was voor de paarden van Van Casteren uit Tilburg, zelf naar Korvel gebracht, waar hij geplet werd tot havermout en menige keer heeft hij zijn vrachten ook naar de Rijense molen gebracht.
Men kòn in die tijd ook het een en ander laten gebeuren. "Tegenwoordig staat alles geregistreerd: hoeveel veevoer men heeft, hoeveel koeien je hebt en dus hoeveel melk geleverd kan worden, hoeveel mest men per hectare uitstrooit. Als er noù oorlog zou uitbreken, dan zou geen enkele boer meer zo behulpzaam kùnnen zijn als toen. En er moèst wat zijn. Je moest voldoende eten hebben voor je eigen gezin, voor de onderduikers en de uit Duitsland ontvluchte Nederlandse jongemannen, die geen bonnen hadden. Het was bovendien uitkijken geblazen. Je had met veel mensen te maken: het land moest bewerkt worden, gezaaid en geoogst, zorgen voor de dorser, voor de afzet, je werkte met eigen mensen en met mensen uit de buurt. Je moest al die personen kunnen vertrouwen, want een zwakke schakel in het geheel kon fataal zijn."
Zijn sterke kant vond hij het onttrekken van voedselvoorziening aan de Duitsers en dit dan door te spelen aan groepen mensen bij wie de nood zo hoog was. De controleurs te slim af te zijn, die zelfs bij de dorskasten kwamen staan om bij te houden welke hoeveelheden graan er gedorst werden en dus afgeleverd konden worden. Ook het goedgekeurde zaaigoed, waarvan veel gezaaid en geoogst werd, stond eveneens onder strenge controle. Zo ging het ook met vleesprodukten, zodat de vindingrijkheid uiteindelijk varkens uit Gelderland en koeien uit Friesland "aanleverde".
De ondernemingsgeest is de familie Geerts niet vreemd. Kees trok naar Moergestel om er onontgonnen land in cultuur te brengen en een broer en zus van hem emigreerden naar Canada.

Op 9 april 1942 kwam een kleine groep kloosterlingen vanuit Boxtel naar Moergestel. Hun klooster in Boxtel was door de Duitse Wehrmacht in beslag genomen voor eigen doeleinden. Via een makelaar in Oirschot vernamen de paters, dat er in Moergestel een groot huis leegstond. Het betrof "Hoogen Huijzen", dat door de Duitsers gevorderd was, maar dat nog niet betrokken was, aangezien er geen waterleiding aanwezig was. Het huis werd uiteindelijk door de Duitsers vrijgegeven - mede op aandringen van burgemeester Bardoel en Carol Schade - en zo konden de Assumptionisten er hun intrek nemen. Zij richtten er hun noviciaat in. Een van de kloosterlingen, pater Lambertus, assisteerde pastoor Janssen, die niet meer zo jong was. Pater Lambertus (Theo Vermeulen) kwam ongemerkt in het verzet terecht. Op een dag verzocht burgemeester Bardoel hem Latijn en Grieks te geven aan een ondergedoken student. Deze jongeman was ondergedoken om daarmee te voorkomen, dat hij op transport gesteld zou worden naar Duitsland. Aangezien Piet Leermakers op een gegeven moment niet meer beschikte over adressen om er zijn piloten en onderduikers ondergebracht te krijgen, deed de veeverloskundige uit Biest-Houtakker een beroep op pater Lambertus. Pater Lambertus had frequente contacten met Janus Rooijakkers, Gerrit Lentink, Jan Dolman en met de Oisterwijkse verzetsgroep "Linthorst-Brunnekreef". Na de oorlog voltooide Pater Lambertus zijn rechtenstudie en heeft toen als zodanig weten te pleiten voor het toekennen van geldelijke vergoedingen aan oud-verzetsstrijders, die zich door hun werk voor de illegaliteit flinke financiële aderlatingen hadden moeten getroosten.